Leestijd: 7 mins

Bloedzuigers, watermijten, snuitkevers en reuzenvlokreeftjes; het zoete water zit vol kleine beestjes. Ze lijken eng maar van dichtbij zijn ze vooral mooi om te zien.

Veel duikers springen het water in om te genieten van al het moois dat er te zien is. Zeker in tropisch water is de kleurenpracht ongeëvenaard. Zelfs Zeeland verbaast duikers die voor het eerst in de Grevelingen of Oosterschelde duiken. Niet-duikers die onderwaterfoto’s van Zeeland zien kunnen haast niet geloven dat deze in Nederland zijn gemaakt. Helaas laat hier het zoete water te wensen over. Wat doe je als je de vissen en de groene kleurenpracht van de waterplanten even hebt gezien? Steek je neus eens dieper tussen de waterplanten of keer een steen om en je zult verbaasd staan van wat daar allemaal aan klein leven te vinden is. Ook boven water stenen keren levert verbazingwekkende beestjes op, zowel in zoet water als in het zoute water van Nederland (leg de stenen wel weer netjes op hun plaats terug). Daar zwemmen en kruipen veel soorten tussen die in de Nederlandse wateren van oorsprong niet thuis horen. Ze komen hier terecht in ballastwater of in de aangroeiing op scheepsrompen. De opwarming van de aarde speelt ook een rol. Door het warmer wordende water komen er steeds meer zuidelijke soorten in onze streken terecht die ook nog eens kans maken onze warmere winters te overleven. Van dichtbij bekeken zijn het soms regelrechte griezels.

 

In het zoete water leven de aasgarnalen. Ze komen vaak massaal voor. We hebben er twee soorten van: de Ponto Kaspische aasgarnaal (Limnomysis benedeni), en de bloedrode aasgarnaal (Hemimysis anomala). De Kaspische aasgarnaal is wit doorzichtig en de bloedrode aasgarnaal heeft rood pigment in het lichaam, waaraan deze soort de naam ontleent. Deze blijft ook iets kleiner dan de Kaspische aasgarnaal. Beide soorten horen van oorsprong niet thuis in Nederland. Overdag zitten ze vaak verscholen tussen planten en stenen maar tijdens  een nachtduik komen ze tevoorschijn en kunnen zich hele wolken in het open water vormen. De bloedrode aasgarnaal heeft een afkeer van licht en zal je lamplicht ontvluchten terwijl de Kaspische aasgarnaal juist aangetrokken wordt door het licht. De enige echte zoetwatergarnaal die je in Nederland tegen kunt komen is de Europese zoetwatergarnaal (Atyaephyra desmaresti). Deze hoort oorspronkelijk thuis in het Middellandse zee gebied.

 

Onderwaterbiologie

De veel voorkomende kokerjuffer Anabolia nervosa.

 

Reuzenvlokreeft

Vlokreeften kunnen ook massaal voorkomen. Welke soorten vlokreeften waar leven is afhankelijk van de waterkwaliteit. Inmiddels is de Ponto Kaspische reuzenvlokreeft  (Dikerogammarus villosus) een normale verschijning in Nederlands zoet water. Vlokreeften zijn herkenbaar aan het gebogen lichaam en de lange antennen. Ze houden zich meestal verscholen tussen waterplanten of stenen maar door hun wit tot bruine lichaam zijn ze toch redelijk makkelijk te vinden. Als ze zwemmen zijn ze door hun gebogen lichaam niet met een andere soort te verwarren. Helaas verdringt de reuzenvlokreeft de inheemse Nederlandse vlokreeftsoorten. De Donaupissebed is inmiddels ook gearriveerd in Nederland. Het is een klein ovaal beestje dat ondiep op stenen en dergelijke is te vinden. Je moet wel goed zoeken want de Donaupissebed is maar enkele millimeters groot. Het waterezeltje (Asellus aquaticus) is een stuk groter en een inheemse pissebed. Ze zijn te vinden op en onder bladeren die in het water zijn gewaaid zijn, of op rottende plantenresten. Een andere exoot is de Kaspische slijkgaranaal (Chelicorophium curvispinum). Slijkgarnalen bouwen kokertjes als woonverblijf. Ze kunnen zo massaal voorkomen dat het makkelijker is om de kokertjes te vinden en daarna de slijkgarnaal te zoeken, want ze zitten vaak goed verborgen in hun kokertjes.

 

De watermijt is een klein beestje en bij de meeste zoetwaterduikers wel bekend is. Watermijten komen voor in verschillende soorten en maten maar de bekendste is wel de rode watermijt. Let op: van de rode watermijten bestaan ook weer verschillende soorten. Voor duikers is het erg lastig om ze onder water uit elkaar te houden.  Watermijten houden zich vaak op tussen en op waterplanten. Het is verbazend om te zien hoe goed zo’n rode watermijt, ondanks zijn kleur, toch gecamoufleerd is. Bij verstoring gaan ze zwemmen en eenmaal in de waterkolom vallen ze een stuk beter op. Gevaarlijk voor de rode watermijt zou je denken, een gemakkelijke prooi. Toch heeft de watermijt maar weinig vijanden. Bij gevaar scheiden de mijten via de huid een stof af waardoor ze bijzonder vies smaken. Veel watermijten zijn rond de een a twee millimeter groot, maar er zijn nog kleinere soorten.

 

Onderwaterbiologie

Een bloedzuiger hangt in het kranswier, wachtend op een voorbij zwemmende vis.

 

Gehecht aan vissen

Van de bloedzuigers bestaan ook veel soorten die op verschillende plaatsen worden gevonden. De vissenbloedzuiger is vaak tussen waterplanten te vinden waar hij zich met zijn achterlijf vasthoudt aan de stengel, wachtend op een voorbij zwemmende vis. Weer andere soorten vertoeven graag onder stenen omdat ze een afkeer hebben van licht. En natuurlijk zijn er ook soorten die vastgehecht leven aan vissen. Soms op voor de vis erg vervelende plaatsen, zoals in het oog. Bovendien zijn er de bloedzuigers die het bloed van watervogels of zoogdieren nodig hebben om zich te voeden. Of dit nog niet genoeg is zijn er ook nog soorten die zich met kleine ongewervelden voeden. Veel bloedzuigers hebben dus helemaal geen vis nodig om te voorzien in hun maaltijden.

 

Van de insecten die we boven water tegenkomen brengt een deel de eerste fase van hun leven onder water door. Echte Nederlandse zoetwaterbewoners zijn de kokerjuffers. Veel kokerjuffers maken een langgerekt kokertje maar er zijn ook soorten die ovale kokers bouwen, of kokertjes die op flesjes lijken. De grootste soorten zijn met het blote oog gemakkelijk herkenbaar als wandelende takjes over de bodem. Een van de grotere kokerjuffers is Anabolia nervosa (geen Nederlandse naam). Deze is herkenbaar aan de tekening op de kop en de stokjes langs het kokertje. De kokertjes van kokerjuffers kunnen gemaakt zijn van allerlei soorten materiaal: zandkorrels, plantenresten of zelfs  huisjes van slakken. Sommige kokerjuffers zijn bijzonder goed gecamoufleerd.  Oxyethira flavicornis (geen Nederlandse naam) is daar een voorbeeld van. Vaak worden ze gevonden op takken die in het water liggen. Hun kokertje lijkt op een flesje. Of Molanna angustata, die vrij over de zandbodem wandelt. Dat kan omdat hij zo goed gecamoufleerd is. Zijn ovale kokertje is gemaakt van dezelfde zandkorrels als die van de zandbodem waarop hij leeft.

 

Onderwaterbiologie

De Pontokaspische vlokreeft is zowel op de bodem als in waterplanten te vinden.

 

Gelei

ook libellen, waterjuffers en muggen leggen hun eitjes op of in het water. Ze komen uit en de eerste tijd leven deze beestjes als larve onder water. Ze zijn te vinden op de bodem of in waterplanten. Sommige kevers hebben van het water ook hun thuisbasis gemaakt. Denk maar aan de geelgerande waterkever of de duizendblad snuitkever (Eubrychius velutus). Dit zeer kleine kevertje is te vinden in schoon zoet water waar aarvederkruid groeit. De eitjes worden in deze plant gelegd en de larven groeien hier ook op. Het volwassen kevertje overwintert aan de waterkant. Voor dit kevertje moet je wel heel nauwgezet het aarvederkruid afzoeken want ze zijn maximaal twee millimeter groot. De eitjes van de muggen zijn vrij klein maar in de zomermaanden zijn ze redelijk goed te vinden, hangend aan waterplanten. De eitjes van muggen zitten in een geleiachtige massa en zijn vaak mooi symmetrisch gevormd. De eitjes van een kokerjuffer zitten ook in een geleiachtige massa maar die eitjes liggen kris-kras door elkaar. Sommige larven van een mug gaan onder water door het leven als een soort rups. Dan zijn ze groen of rood gekleurd en wandelen ze over de waterplanten. Zoals je ziet zijn er heel veel diertjes in het zoete water te vinden die vroeg of laat het water verlaten en dan boven water als volwassen dier verder leven. Meestal is dat maar een korte periode, net lang genoeg om te paren en daarna te sterven. De eitjes worden op, in of bij het water gelegd zodat een volgende generatie het eerste levensstadium weer in het water kan doorbrengen.

 

  • Rode watermijten, druk bezig met het leggen van de eieren.
  • Een muggelarve lijkt op een rups.
  • Twee snuitkevers in aarvederkruid.