Leestijd: 7 mins

Voor de afwisseling een biologielesje voor zoetwaterliefhebbers. Je wordt uitgenodigd om de volgende keer wat dieper in de wereld van de huisjesslakken te duiken. Ons Nederlandse duikwater kent namelijk vele soorten, met prachtige huisjes en wonderlijke eigenschappen.

In het zoete water kom je vaak veel slakken tegen. Geen naaktslakken, want die bestaan niet voor het zoete water. Af en toe kom je er wel een tegen maar dat is dan de wegslak (Arion sp): een slak die op het land thuishoort maar om een of andere reden soms in het water terechtkomt. Dat is het einde want onder water ademen lukt deze slak niet. De echte waterslakken kunnen dat wel. Deze kunnen we onderverdelen in twee groepen: de Prosobranchia ofwel de kieuwslakken en de Pulmonata of longslakken. De kieuwslakken hebben een operculum, dat is een plaatje waarmee het slakkenhuis kan worden afgesloten. Het operculum ontbreekt bij alle volwassen longslakken.

 

Slakken

Oorvormige poelslak, grijs/groen met zwarte en witte vlekjes.

 

Als een softijsje

Veel slakken hebben een afgeplat spiraalvormig huisje waarbij de windingen ‘opgerold’ liggen. Ze worden door de meeste duikers aangeduid als posthoornslakken. Weer andere hebben een tapvormige schelp zoals de beekmuts, maar de meeste slakken hebben een bol huisje met de windingen erbovenop, als een softijsje. Veel van deze slakken hebben min of meer hetzelfde huisje en hoewel voor de determinatie boven water meestal het slakkenhuisje gebruikt wordt is het voor een duiker handig om ook naar de kleur, tekening en vorm van de slak te kijken. De kleuren kunnen erg uiteenlopen maar na enige oefening is het vaak mogelijk om aan de kleuren, tekening en vorm te herkennen om welke slak het gaat. Ook de tentakels, eventuele mantelaanhangsels en de vorm van de snuit zijn belangrijke kenmerken. Vaak zijn de slakkenhuisjes van levende dieren begroeid met allerlei organismen waardoor het onder water lastiger wordt om aan de hand van het huisje te zien om welke slak het gaat.

 

Een van de grotere soorten zoetwaterslakken is de moerasslak. Hiervan bestaan twee soorten, de spitse- (Viviparus contectus) en de stompe moerasslak (Viviparus viviparus). Om deze twee soorten uit elkaar te kunnen houden moet je naar het huisje kijken. De slak is bruin met oranje/gele vlekjes. Het huisje van de spitse moerasslak is, hoe kan het anders, veel spitser dan dat van de stompe moerasslak, en daarbij wordt de spitse moerasslak groter dan de stompe. De slakken zijn van gescheiden geslacht. Er zijn mannetjes en vrouwtjes. De rechter tentakel is bij de mannetjes omgevormd tot geslachtsorgaan waardoor deze een stuk korter is dan de linker tentakel. Hierdoor is het geslacht van de slakken makkelijk vast te stellen. De slakken zijn ovovivipaar ofwel eierlevendbarend. Dit wil zeggen dat de eitjes in het moederdier uitkomen waardoor het lijkt of er levende jongen geboren worden.

 

Slakken

Jenkins waterhorentje, een klein slakje dat massaal voor kan komen.

 

Zeepbelletjes

Van de poelslakken kennen we ook meerdere soorten. Onder andere de oorvormige poelslak (Radix auricularia), de ovale poelslak (Radix balthica), de gewone of grote poelslak (Lymnaea stagnalis) en de moeraspoelslak (Stagnicola palustris). De huisjes van de oorvormige en ovale poelslak lijken erg veel op elkaar met een bolle laatste winding. Gelukkig kunnen we deze dieren beter aan de kleur van het lichaam onderscheiden. De oorvormige poelslak is grijsgroen met zwarte en witte vlekjes. Het slakkenhuis wordt zo’n 35 millimeter hoog en 30 millimeter breed. Ze zijn hiermee iets groter dan de ovale poelslakken. De laatste winding van de schelp is bij de oorvormige poelslak boller dan bij de ovale poelslak. De ovale poelslak is geelgrijs met witte vlekjes en heeft een iets kleiner huisje (30 millimeter hoog en 20 millimeter breed). Beide slakkensoorten hebben brede korte tentakels. Ze zijn hermafrodiet. Dat wil zeggen dat ze zowel mannetje als vrouwtje tegelijk zijn. In het voorjaar en de zomer worden langwerpige eisnoeren gelegd die meerdere eitjes bevatten. De eisnoeren zijn te vinden op plantenstengels, takken en stenen, eigenlijk overal behalve in het zand. Vers gelegd lijken de eitjes op zeepbelletjes. De grote poelslak, de naam zegt het al, is een grote slak. Hij wordt veel groter dan de ovale- en oorvormige poelslak. De vorm van het slakkenhuis is ook totaal anders. De grote poelslak heeft een kegelvormig huis. Het huisje is tot 33 millimeter breed en tot 70 millimeter hoog. Ze hebben een licht groenig tot bruin gekleurd lichaam. De gewone poelslak is hermafrodiet. De eitjes worden bij voorkeur dicht aan het wateroppervlak afgezet en zijn te vinden aan stengels en onderkant van drijfbladeren. Donkerder en veel kleiner is de moeraspoelslak. Met een schelp van 8,5 millimeter breed en 20 millimeter hoog blijft hij een heel stuk kleiner dan de gewone poelslak. Het lichaam van deze slak is grijs met gelige pigmentvlekjes.

 

De grote diepslak (Bithynia tentaculata) heeft een schelp met een hoogte tot 12 millimeter en een breedte tot 7 millimeter. De slak zelf is (donker) bruin met een gele marmering. De tentakels zijn vrij lang en aan de basis verbreed, hier bevinden zich ook de ogen. Die zijn zeer eenvoudig en kunnen alleen licht en donker onderscheiden. De grote diepslak is te verwarren met de kleine diepslak (Bithynia laechii) die, de naam zegt het al, kleiner is. Ze zijn grijzig met een gele marmering en de tentakels zijn bijzonder lang en smal. De eieren van de grote diepslak zijn in de lente te vinden en worden aan de zij- en onderkant van hard substraat of waterplanten afgezet. De eieren worden in rijen naast elkaar gerangschikt en hebben een honingraatvorm. Vers gelegd zijn gele punten zichtbaar.

 

Slakken

Eieren van de diepslak, vers gelegd met gele puntjes achter in een verder gevorderd stadium. De raatvorm is goed zichtbaar.

 

Veervormige kieuw

De vijverpluimdrager (Valvata piscinalis) is een klein slakje waarvan het schelpje tot 6 millimeter hoog en breed is. Oppervlakkig gezien lijkt de schelp wel een beetje op die van de poelslakken maar omdat de vijverpluimdrager een kieuwslak is heeft hij een operculum. De slak zelf is wit tot doorzichtig met twee lange dunne tentakels. Aan de basis van de tentakels staan de ogen. De kop loopt uit in een lange verbrede snuit. De kruipzool is nog langer, van voren gespleten en bijna doorzichtig. Als ze rondkruipen zijn de veervormige kieuw en een derde tentakel aan de zijkant zichtbaar. Hoewel de meeste zoetwaterslakken met een operculum van gescheiden geslacht zijn, is de vijverpluimdrager hermafrodiet.

 

De bronblaashorens zijn hele mooie slakken. We kennen de bronblaashoren (Physa fontinalis) en de puntige blaashoren (Physella acuta). De slakken zijn licht gekleurd en aan het lichaam zijn ze lastig te onderscheiden. De huisjes van beide slakken worden zo’n 12 millimeter hoog en 7 millimeter breed. Wat deze slakken zo mooi maakt zijn de twee mantelaanhangsels met vingervormige uitstulpingen die, als ze rondkruipen, over de schelp geslagen zijn. De bronblaashoren heeft vijf of zes vingervormige uitstulpingen aan de linkerkant en zeven tot elf vingervormige uitstulpingen aan de rechterkant. Deze uitstulpingen zijn bij rustig kruipende dieren ver over de schelp heengeslagen. De puntige blaashoren heeft drie tot zes vingervormige uitstulpingen aan de linkerkant en vijf tot acht vingervormige uitstulpingen aan de rechterkant. De uitstulpingen zijn alleen over de onderkant van de schelp geslagen. De slakkenhuisjes zijn ook iets anders, de bronblaashoren heeft een stomp huisje, dat van de puntige blaashoren is veel spitser. Aan de vorm van het huisje zijn deze slakken goed te onderscheiden.

 

Slakken

Ovale poelslak, geelgrijs met witte vlekjes.

 

Geen mannetjes nodig

Een ander klein slakje is Jenkins waterhorentje (Potamopyrgus antipodarum). Het kegelvormig schelpje is tot 6 millimeter hoog en tot 3 millimeter breed. Het schelpje is bruin maar vaak bedekt met aanslag. De slakken zelf zijn grijs met doorzichtige tentakels, de kruipzool is licht gekleurd. Het slakje is erg klein maar ze kunnen zo massaal voorkomen dat het bijna onmogelijk is om ze over het hoofd te zien. Dit slakje is parthenogenetisch ovovivipaar. Ovovivipaar kenden we al: eierlevendbarend. Parthenogenetisch wil zeggen dat de vrouwtjes geen mannetje nodig hebben om zich voort te planten. Mannetjes zijn dan ook redelijk schaars. Op 1250 slakjes werden maar 6 mannetjes gevonden. Die zijn blijkbaar alleen nodig voor de genetische variatie.

 

Literatuur: de Nederlandse zoetwatermollusken. E. Gittenberger et al.

 

Slakken

De diepslak is bruin met een gele marmering.