Leestijd: 7 mins

Het is een prachtige ervaring en tegelijkertijd een vat vol tegenstrijdigheden. Walvishaaien voeren bij Oslob. Of beter van niet?

Oslob, 07.00 uur in de morgen. De baai ligt al helemaal vol met boten en snorkelaars. Mijn gids van Dolphin House heeft hier na enig aandringen een duik geregeld. In Oslob heb je nagenoeg walvishaai-garantie omdat de grote, zachtaardige vissen worden gevoerd. De plaatselijke vissers kwamen in 2011 op het idee dat ze meer geld konden verdienen aan levende haaien dan aan dode. Ze lokken de vissen met bevroren garnalen, een soort krill. Terwijl dat ontdooit in het warme water wordt de zee een soepje. Eerst zie ik niets en dan ineens de contouren van een hele grote vis. Door alle boten met snorkelaars boven ons en de duikers om ons heen wordt het snel een enorme chaos. Er komen steeds meer bellenblazende duikers bij – gekkenhuis! De walvishaaien zijn morsige eters en het voedsel dat overblijft trekt ook andere vissen aan. Even ontstaat er paniek als een kleine haai zich onverwacht lenig omdraait. Iedereen stuift uit elkaar want je mag niet te dichtbij komen en de walvishaaien zeker niet aanraken. De regels zijn ons tijdens de briefing duidelijk uitgelegd. Maar niemand had iets gezegd over zo’n onvoorspelbare manoeuvre!

 

Ondanks de chaos is het een mooie ervaring om neus aan neus te liggen met walvishaaien. Wel een ervaring om bij na te denken. Het is niet goed om wilde dieren te voeren. Ze gaan de bootjes volgen en raken gewend aan wild bewegende snorkelaars en de luchtbellen van duikers. Zo leren ze verkeerde gewoontes: de haaien verliezen hun natuurlijke angst voor mensen en boten en gaan het gevaar juist associëren met voedsel. Het is ook niet bekend wat het voeren doet met de natuurlijke migratiepatronen en de voortplanting van de dieren die daarmee samenhangt. Het effect van het voeren en het vele contact met mensen op de haaien is nog onderwerp van onderzoek. Vast staat dat de dieren bij Oslob worden ingezet als levende toeristenattractie, ook al leven de haaien niet in gevangenschap zoals andere dieren in dolfinaria of wildparken. Er zijn tijdens ons eerste bezoek ook maar drie walvishaaien. In het najaar is er voldoende voedsel rond het Filipijnse eiland Cebu en het lijkt erop dat de haaien ondanks de verleiding van gratis voer toch hun eigen gang gaan en hun instinct volgen.

 

Toeristisch

Dus een week later zijn we er nog een keer en ook nu is het idioot druk. Ik zie een van mijn gidsen fronsen en denken: ‘Waar ben ik aan begonnen?’ Het ziet er heel erg toeristisch uit en dat is het ook. We krijgen opnieuw de briefing met instructies over wat wel en niet te doen. We moeten vier meter van de kop vandaan blijven en zes meter van de staart. Nou dat is lekker met een fisheye lens op de camera! Na een tijd wachten krijgen we met ons drieën een eigen banka, zo’n smal bootje met zijliggers. Eerst moeten we een reddingsvest aan en de mannen peddelden ons naar het grote circus in de baai. Daar mag het reddingsvest weer uit en kunnen we een half uurtje vrij rondzwemmen. We zwemmen eerst naar de boten met de toeristen. Een gids in een heel klein bankaatje peddelt voorbij en gooit een walvishaai steeds een schepje garnalensoep toe. Oei, da’s weer slecht voor het heldere water! De haaien zwemmen met de peddelaar mee. Ze zijn helemaal gefixeerd op het voedsel. Na de eerste foto’s met een heleboel snorkelaars, armen en benen in beeld ben ik het zat en ga tussen twee boten in liggen. Daar heb ik meer ruimte en ben ik wel klaar voor een andere haai. Samen met de gids, die nu fonkelende ogen heeft van plezier, zwemmen we verder weg van het strand in de hoop op helderder water. Daar zijn zelfs twee walvishaaien die bijna op elkaar botsen. Ik kijk gefascineerd toe, benieuwd of er geen voedselnijd is maar ze glijden voorzichtig langs elkaar heen. Wat een fantastische dieren en hoe fijn is het om hier vrij rond te zwemmen. Dit had ik niet verwacht!

 

De laatste vijf jaar zijn er meer dan 750.000 bezoekers in de baai geweest.

 

‘Better fed than dead,’ is een gangbare uitspraak onder de mensen die de walvishaaienindustrie in stand houden. Recent onderzoek van de Southern Cross University, Australië, laat zien dat het toerisme nu een vaste bron van inkomsten vormt voor 177 voormalige vissers die daardoor in staat zijn hun families te voeden en hun kinderen naar school te sturen. Er is voor 18,4 miljoen dollar aan kaartjes verkocht de laatste vijf jaar. Het geld wordt geïnvesteerd in de lokale gemeenschap en gaat voor een deel naar de bescherming van zeereservaten. Intussen vangen deze (voormalige) vissers geen vis meer. Het aantal mensen dat komt kijken in Oslob is indrukwekkend. De laatste vijf jaar zijn er meer dan 750.000 bezoekers in de baai geweest. Al die mensen komen alleen maar naar Oslob om van dichtbij een walvishaai te zien. Door al die aandacht is een nieuw dorp ontstaan met restaurants, winkels en hotelletjes. Allemaal werkgelegenheid en inkomsten voor de mensen in een van de armste regio’s van de wereld.

 

Ambassadeurs

Of deze baten opwegen tegen het dierenwelzijn? Het is moeilijk te beoordelen en misschien moeten we daarbij niet alleen naar de individuele dieren kijken. Natuurlijk hebben we overal waar we wilde dieren vangen een zorgplicht. Zelfs als we ze loslaten in een natuurgebied, wat eigenlijk ook een grote kooi is. Ik heb al eerder geschreven over dolfinaria met als aanleiding de grote zwarte griend Tonka in Subic Bay, ten noorden van Manilla (zie Onderwatersport december 2010). We hebben met hem gezwommen en onder water vis in z’n bek gelegd. Tussen die grote witte dolkjes van tanden hebben we zijn roze tong geaaid. Was dat natuurlijk gedrag? Nee. Maar het was wel een van de beste duikervaringen van mijn leven, met een dier dat leeft in de zee en gevangen zit in een baai die met een groot net is afgesloten. Dat het vangen van wilde dieren moet ophouden, daar ben ik voorstander van. En natuurlijk is het goed om het grote publiek te informeren over misstanden als wij die begaan in onze bestaande dierenparken en dolfinaria. Als dolfijnen in Harderwijk in bakken met chloorwater moeten verblijven, dan is het goed als we daar opnamen van maken en het aan de kaak stellen. Dat Harderwijk dan maar ineens dicht moet, is weer een overdreven reactie. Waar anders kunnen de kinderen (en ook de grote mensen) dicht bij huis haaien voeren en roggen aaien? Als het aan mij ligt moet Harderwijk dagelijks gratis open voor scholen en andere educatieve instellingen en het kan me niet schelen wie dat betaalt. Want zodra je het gezicht ziet van de kinderen die voor het eerst een dolfijn in het echt meemaken, dan weet je dat ze voor altijd ambassadeurs van de zee zijn geworden.

 

Wat je niet kent, dat kun je ook niet waarderen en beschermen. De ontmoeting met de grote, wilde walvishaaien is een ervaring om nooit meer te vergeten – eentje om toe te voegen aan mijn lijstje met “wildlife encounters”. Wat is wijsheid en wat is het beste voor de dieren zelf? Richten we onze aandacht op een paar dieren, zoals in Oslob waar duizend mensen per dag komen kijken naar een bijzonder spektakel? Waar kinderen van acht jaar oud door hun snorkel kraaien van bewondering en de ervaring meenemen voor de rest van hun leven? Of houden wij het grote plaatje ook voor ogen? Waar nog steeds zo’n honderd miljoen haaien per jaar worden afgeslacht voor een nutteloos kopje soep? Dan zijn die 750.000 nieuwe ambassadeurs uit Oslob een druppel op de gloeiende plaat.

 

  • Chaos op het strand. Zeker duizend bezoekers per dag komen af op het walvishaaiencircus.
  • In een banka worden toeristen naar de haaien gepeddeld.
  • Wat verder van het strand zien we twee walvishaaien bij elkaar.
  • De haaien zijn gefixeerd op het voer.