Leestijd: 7 mins

Eten en gegeten worden, soortgenoten vinden; dat zijn de belangrijke zaken in het dierenleven. Alle vijf zintuigen worden daarbij gebruikt, door verschillende soorten in verschillende mate. Terwijl een zeenaaktslak goed kan ruiken en proeven met de rhinoforen, kan hij of zij nauwelijks zien. Een walvis kan juist goed zien, maar niet veel proeven. De zintuigen van de dieren zijn dus prachtig aangepast aan hun omgeving.

Mensen kunnen ruiken, horen, voelen, zien en proeven. Waarnemen is nodig om te reageren op de omgeving. Om te kunnen genieten van het onderwaterleven, moeten we wel enkele aanpassingen doen: zo hebben wij een masker nodig om scherp te kunnen zien. Dieren hebben geen masker nodig – zij hebben bijvoorbeeld een oog dat is aangepast aan het leven onder water. Maar zien zij de kleuren net zoals wij ze zien? Kunnen octopussen proeven? En kunnen haaien echt zo waanzinnig goed ruiken? Hoe dieren de wereld waarnemen, kan wel eens heel anders zijn dan wij dat doen.

 

Tweehonderd ogen

Zien is het waarnemen van beelden. Voor mensen is het heel normaal om vormen, kleuren en licht te kunnen waarnemen. Voor veel andere dieren is zien in vorm en kleur echter niet zo vanzelfsprekend. Een Wijde mantel (schelpdier) heeft bijvoorbeeld wel 50 tot 200 ogen langs de rand van zijn mantel, maar kan hier alleen veranderingen in licht en donker mee waarnemen. Een echt “oog” kun je de lichtgevoelige puntjes van de Wijde mantel eigenlijk niet noemen. Toch zijn ze heel handig: als het plotseling donker wordt, kan het betekenen dat er een roofdier aankomt – de schelp klapt dan gauw dicht. Ook naaktslakken en kwallen hebben slechts lichtgevoelige plekjes op hun lichaam. Daardoor weten ze of ze naar het licht toe bewegen, of juist ervanaf.

 

Sepia’s, inktvissen en octopussen hebben wel een echt oog, inclusief netvlies en lens. De inktvisachtigen staan bekend om hun extreem goede camouflagetechnieken. Dit is verwonderlijk als je weet dat ze eigenlijk kleurenblind zijn. Hoe kunnen ze dan toch zo goed de kleur van hun omgeving nabootsen? Elke kleur licht heeft een andere golflengte en een lens buigt elke golflengte op een verschillende manier. Daardoor kan een lens op sommige kleuren scherpstellen, terwijl andere kleuren nog wazig zijn. Een theorie is dat inktvisachtigen hun oog heel snel focussen en scherpstellen om vast te stellen bij welke golflengte een object “wazig” wordt. Zo zouden ze de kleur kunnen bepalen, zonder de echte kleur te zien. De gekke w-vormige pupil van de sepia zou hierbij nog extra kunnen helpen, door de waas nog waziger te maken.

 

Sommige dieren kunnen wel kleuren zien onder water. Een heel bekend voorbeeld is de bidsprinkhaankreeft (“Mantis shrimp”), die je misschien wel kent van vakantie. Mensen hebben drie verschillende typen receptoren om kleur te zien. Omdat onze hersenen de informatie verwerken, kunnen wij met deze drie typen wel miljoenen verschillende kleuren zien. Mantis shrimps hebben maar liefst twaalf verschillende typen receptoren, maar hiermee kunnen ze niet vier keer zoveel kleuren zien. De receptoren zijn namelijk minder gevoelig. Waarom dan zoveel verschillende receptoren? Het kost hun hersenen hierdoor minder energie om de kleuren te verwerken. Daardoor kunnen ze sneller beslissingen nemen: vriend, vijand of voedsel?

  • De Wijde mantel heeft tot 200 ogen.
  • Een zeester ruikt met zijn voetjes.
  • Zeenaaktslakken zoals deze facelina auriculata voelen met de mond en ruiken met hun rhinoforen.

Eén druppel in een zwembad

“Haaien kunnen één druppel bloed ruiken in de hele oceaan”, wordt er wel eens gezegd. Mythe of feit? In dit geval zeker mythe. Toch hebben haaien een waanzinnig goed reukvermogen. In het vorige nummer van Onderwatersport werd het al aangehaald. Een witte haai kan bijvoorbeeld 1 druppel visolie ruiken in 10 miljard druppels water. Dat is vergelijkbaar met 1 druppel in een olympisch zwembad! Ook andere vissoorten kunnen goed ruiken. De gaten aan de zijkant of onderkant van hun snuit worden niet gebruikt om te ademen, maar uitsluitend voor het ruiken. De neusholte van de vissen is compleet bekleed met reukgevoelige receptoren. Het water stroomt de neusgaten in en voert zo stoffen langs de receptoren, waardoor de vis kan ruiken of er eten in de buurt is. Hun goede reukvermogen wordt niet alleen gebruikt voor voedsel, ze kunnen er ook jagers mee waarnemen of een partner vinden.

 

Reukvermogen gaat niet altijd in de vorm van een neus. Zeesterren ruiken bijvoorbeeld met hun zuignapvoetjes. Huisjesslakken ruiken met hun sipho (slurfje) en veel zeenaaktslakken hebben rhinoforen (wat letterlijk “neusdragend” betekent). Deze handige uitstekende antennes zijn vaak gekronkeld of hebben flapjes waardoor er extra veel ruimte is voor reukreceptoren. Veel zeenaaktslakken beginnen hun leven, nadat ze uit het eitje zijn gekomen, als een vrijzwemmende larve. Deze larven worden met de stroming door de hele Oosterschelde meegevoerd. Maar hoe weten ze waar ze zich moeten settelen om verder uit te groeien tot volwassen naaktslakken? Ook de larven hebben een reukorgaan. Zodra ze genoeg geurimpulsen krijgen van hun voedsel wordt de verandering tot zeenaaktslak ingezet.

 

Zwemblaas

Met een beetje moeite kun je je verstaanbaar maken aan je buddy door in je automaat te praten. Ons buitenoor vangt het geluid op, in ons binnenoor wordt dat verwerkt. Vissen lijken geen oren te hebben. Dat komt omdat ze geen externe oren hebben, maar ze hebben wel binnenoren. Geluid dat door water beweegt, gaat rechtstreeks door het lichaam van de vis en raakt zo de zwemblaas. Dat is een met gas gevulde zak waarmee de vis kan trimmen. Die zwemblaas fungeert ook als trommelvlies en geeft de trillingen door aan het binnenoor. Vissen zonder zwemblaas, zoals platvissen en haaien, kunnen daarom minder goed horen. Die zwemblaas is niet alleen van belang bij het horen van geluid, maar ook bij het maken van geluid. Door spieren in rap wisselend tempo aan te spannen en te ontspannen, kan de zwemblaas vibreren. Dit brengt blaffende, grommende, klikkende of knorrende geluiden voort. De poon en de zeedonderpad danken daar hun bijnaam aan: knorhaan.

 

Voelen is van de vijf zintuigen bij onderwaterleven waarschijnlijk het meest vergelijkbaar met dat bij landdieren. Voor dieren die niet zo goed kunnen zien, is voelen erg belangrijk. Een zeenaaktslak voelt bijvoorbeeld met de mondtentakels of er obstakels in de weg zitten. Ook voor dieren die in water met slecht zicht leven, is voelen belangrijker dan zien. Sommige dieren kunnen zelfs objecten op afstand voelen. Een zeehond heeft bijvoorbeeld verbazingwekkend gevoelige snorharen. In de snorharen zitten zenuwen, waardoor ze heel gevoelig zijn voor trillingen in het water. De zeehond kan zo vissen bespeuren die wel 180 meter verderop zwemmen, zelfs tijdens dikke algenbloei.

  • Zeehonden proeven niet veel omdat ze gewend zijn hun hapje in een keer naar binnen te schrokken. De snorharen zijn weer wel heel gevoelig.
  • Inktvissen zijn kleurenblind maar kunnen toch de kleur van hun omgeving aannemen.
  • Vissen (hier een snoekbaars) horen door middel van hun zwemblaas en hebben een goede neus.

Proeven

Dieren gebruiken hun vermogen om te zien, ruiken en horen – en zelfs hun tastzin – om hun voedsel te vinden. Maar kunnen ze hun voedsel ook proeven? Wij hebben smaakpapillen op onze tong waarmee we zout, zuur, bitter, zoet en umami kunnen proeven. Daarvoor moeten we het voedsel wel eerst in onze mond stoppen. Denk je eens in, dat je een appel pakt en deze al kan proeven voor je de appel in je mond hebt gestopt. Octopussen kunnen dat, dankzij de smaakpapillen die over zijn hele lichaam zitten. De smaakpapillen zijn ook nog eens 100 keer gevoeliger dan de smaakreceptoren op onze tong. Walvissen, bruinvissen en zeehonden hebben het niet zo goed getroffen. Wetenschappers hebben aangetoond dat de meeste walvissoorten alle soorten smaakpapillen in de loop van evolutie zijn verloren – behalve de mogelijkheid om zout te proeven. Dat lijkt een vrij vreemde eigenschap voor dieren die in zout water leven, maar dit kan waarschijnlijk verklaard worden door hun eetgewoontes. De meeste smaak komt vrij door op voedsel te kauwen. De grote viseters schrokken hun hapje in één keer naar binnen. Daar hoeven ze geen fijnproevers voor te zijn.

 

Eten en gegeten worden, soortgenoten vinden; dat zijn de belangrijke zaken in het dierenleven. Alle vijf zintuigen worden gebruikt onder water, maar door verschillende soorten in verschillende mate. Terwijl een zeenaaktslak goed kan ruiken en proeven met de rhinoforen, kan hij of zij nauwelijks zien. Een walvis kan juist goed zien, maar niet veel proeven. De zintuigen van de dieren zijn aangepast aan hun omgeving. Gelukkig hebben wij een masker en duiksetje, zodat ook wij van de mooie onderwaterwereld kunnen proeven.