Leestijd: 7 mins

Er zijn slechts drie groepen dieren met een orgaan dat we daadwerkelijk hersenen kunnen noemen: de gewervelden (zoals de mens en vissen), de geleedpotigen (zoals kreeften en krabben) en de inktvisachtigen. Alle andere diergroepen hebben een verzameling van losse groepen zenuwcellen. Maar hoe weten we hoe slim dieren zijn? Kunnen dieren bijvoorbeeld tellen? Of soorten herkennen? Luna van der Loos gaat op onderzoek uit. Ze kwam erachter dat een potvis het grootste brein ter wereld heeft: dat is maar liefst 7,8 kilo!

Van de beslissing om een duik te maken tot het uitvoeren van de duik: alles wordt gecoördineerd door het brein. Onthouden hoe je het setje moet opbouwen, registreren hoe koud het water is, de beweging van je vinslagen – zonder onze hersenen zouden we niet kunnen duiken. Maar het brein zorgt er ook voor dat we kunnen genieten van de duik en dat we kunnen herkennen welke soort vis bij die oester zit. Vrijwilligers van Stichting ANEMOON houden zich bezig met het tellen van dieren. Maar kunnen dieren ook tellen? Kunnen dieren soorten herkennen? Ofwel: hoe slim zijn dieren?

 

Slim of intelligent?

Intelligent, slim, verstandig: allemaal woorden die hetzelfde omschrijven. Of niet? ‘Slim’ is een beschrijving van een daad of actie en is daarmee beperkt tot een tijdelijke benaming, terwijl ‘intelligent’ een eigenschap is. Zo kan iemand zeer intelligent zijn maar iets doms doen, en andersom. Hetzelfde geldt voor dieren. Heremietkreeftjes gebruiken bijvoorbeeld voorwerpen ter bescherming van hun naakte achterlijfje. Deze voorwerpen kiezen ze slim, maar het is niet meteen bewijs voor intelligentie. Onder intelligentie vallen onder andere de mogelijkheid tot leren, logisch denken, geheugen, taalbegrip en probleemoplossend vermogen. En de basis van intelligentie ligt in het brein.

 

De hersenen zijn een enorm complex orgaan dat bestaat uit tientallen miljarden zenuwcellen. Het brein stuurt alles aan in het lichaam: de bloeddruk, ademhaling, zintuigen en het bewegen. Maar het vormt ook de bron voor het geheugen, de emoties en het bewustzijn. Deze verschillende functies worden aangestuurd door speciale gebieden in het brein. Zo is het deel dat verantwoordelijk is voor ‘horen’ in de potvis erg goed ontwikkeld, maar is het deel dat normaal bij zoogdieren de coördinatie van de benen aanstuurt – niet verrassend – erg klein. Omdat het brein zo ingewikkeld is, zijn er eigenlijk maar drie groepen dieren met een orgaan dat we daadwerkelijk hersenen kunnen noemen: de gewervelden (zoals de mens en vissen), de geleedpotigen (zoals kreeften en krabben) en de inktvisachtigen. Alle andere diergroepen hebben een verzameling van losse groepen zenuwcellen. Maar hoe weten we hoe slim dieren zijn?

  • De octopus heeft een korte- en langetermijngeheugen en een complex zenuwstelsel.
  • Sponzen hebben helemaal geen zenuwcellen.
  • Zeesterren hebben losse groepjes zenuwcellen.
  • Spiegeltest met Pikeblenny.

Verhouding

Met 7,8 kilo heeft een potvis het grootste brein ter wereld. In vergelijking daarmee lijken de hersenen van de mens (1,3 kilo) en de hersenen van een zeeleeuw van (545 gram) erg klein. Het hebben van het grootste brein, betekent niet dat potvissen ook het slimste zijn. Veel wetenschappers geloven dat de verhouding van het gewicht van de hersenen ten opzichte van het gewicht van het lichaam, meer zegt dan de absolute grootte. Zo maken de hersenen 0,06% van het totale gewicht van de potvis uit, terwijl de hersenen van een dolfijn 1% van het lichaam zijn. Daarmee behoren dolfijnen tot de weinige dieren die kunnen concurreren met de mens: onze hersenen maken ongeveer 2,3% van het lichaam uit.

 

Om een indicatie van onze intelligentie te krijgen, kunnen we een IQ-test doen. De IQ-test werkt helaas niet voor dieren, maar de mens heeft allerlei andere testen bedacht om uit te vinden hoe slim dieren zijn. Een voorbeeld hiervan is de spiegeltest. Tijdens deze proef wordt een dier – zonder dat hij of zij het merkt – gemarkeerd met een stip. De stip is op zo’n manier aangebracht, dat hij alleen te zien is in het spiegelbeeld. Dieren die snappen dat zij zichzelf zien, gaan op zoek naar de stip op hun eigen lichaam. Een tuimelaar bijvoorbeeld draait zijn kop naar de spiegel toe om de plek beter te kunnen bekijken. Dieren die zichzelf niet herkennen, vertonen vaak agressief gedrag of beginnen juist een gesprek. Een goed voorbeeld hiervan is de truc van fotografen om een mooie foto van de Pikeblenny te nemen. Deze vis leeft in zijn holletje in de grond en is enorm territoriaal. Van die laatste eigenschap wordt gebruikt gemaakt. Met behulp van een spiegeltje komt de Pikeblenny gauw zijn holletje uit om ‘zijn’ stukje bodem te verdedigen tegen de indringer. Met de rugvin recht overeind en de mond wijd open, valt de Pikeblenny de rivaal aan: en dat is het moment om af te drukken. Eigenlijk doen deze fotografen telkens opnieuw een spiegeltest.

 

De spiegeltest is gebaseerd op zelfherkenning en zelfbewustzijn. Andere testen zijn ontworpen om te kijken of dieren problemen kunnen oplossen, deze oplossingen kunnen onthouden, bepaalde handelingen kunnen leren, kunnen communiceren en verbanden kunnen zien. Een aantal voorbeelden zijn de weg door een doolhof vinden en deze te onthouden, verschillende manieren vinden om voedsel te openen en foto’s met elkaar matchen. Al deze testen hebben wel één ding gemeen: de mens heeft de proeven ontworpen en daarmee meten we de intelligentie van dieren volgens onze eigen maatstaf. Wij vragen van dieren mensachtige dingen te doen, en dat zou wel eens helemaal de foute manier kunnen zijn. Voorwerpen kunnen vinden met behulp van echolocatie kost een walvis bijvoorbeeld behoorlijk veel denkkracht. Als een walvis de intelligentie van een mens zou willen testen, door te kijken hoe goed wij echolocatie kunnen gebruiken, zou de mens helemaal onderaan de ladder van intelligentie komen. Het meten van intelligentie is moeilijker dan we denken.

 

Uniek fluitje

Hoewel het moeilijk is om te bepalen hoe intelligent dieren daadwerkelijk zijn, zijn veel wetenschappers het er wel over eens dat er een aantal dieren uitspringt. Op nummer één staat de tuimelaar. Dolfijnen zijn erg sociaal, ze spelen met elkaar en communiceren door middel van fluittonen. Elk familielid in een school dolfijnen heeft een uniek fluitje om zich te kunnen identificeren. Ook haaien hebben een strakke sociale structuur – iets wat belangrijk is tijdens het jagen. Met specifiek gedrag, zoals elkaar omcirkelen en de vinnen bewegen, stellen ze vast wie de dominante haai is en in welke volgorde de haaien achter een prooi aan mogen gaan. Zo vermijden ze onderlinge gevechten. Sociaal gedrag is voor haaien ook belangrijk bij het leren. Een zeeleeuw kan logisch nadenken en bedenken dat als ‘a=b’ en ‘b=c’, dat ‘a=c’ dan ook geldt. Toch slagen zeeleeuwen niet voor de spiegeltest. Net zoals bij mensen zijn dieren goed op bepaalde vlakken, en minder ontwikkeld bij andere vaardigheden.

 

Eén van de meest intelligente ongewervelde dieren is de octopus. Deze nieuwsgierige dieren hebben zowel een korte- als langetermijngeheugen en een zeer complex zenuwstelsel. Het opvallende aan het zenuwstelsel van een octopus is dat slechts een derde van de zenuwen in de hersenen zit en twee derde in de armen. Daarmee kunnen de armen zelf bewegingen coördineren, reageren op de omgeving en problemen oplossen.

  • Haaien hebben een strakke sociale structuur.
  • De hersenen van een dolfijn zijn 1% van het lichaam.

Hersenloos

Op de kreeften, krabben en inktvisachtigen na, hebben de ongewervelde dieren geen hersenen. Toch lijken ze zonder hersenen prima te overleven. Met groepjes losse zenuwcellen kan een zeester bijvoorbeeld leren welke substraten, zoals rotsen of zand, hij in verband kan brengen met de aanwezigheid van voedsel. Ook wormen kunnen getraind worden. Zij kunnen bijvoorbeeld leren om te worden aangetrokken tot een bepaalde prikkel, zoals licht of warmte. Vervolgens kunnen dezelfde individuen leren om licht en warmte te vermijden en in plaats daarvan duisternis en kou op te zoeken: ze kunnen leren hun gedrag radicaal om te gooien. Ondanks dat dit niet ‘intelligent’ te noemen is, is het toch een bepaalde vorm van leren. Sponzen hebben helemaal geen zenuwcellen. Toch bestaan sponzen al miljoenen jaren. Voor sommige dieren is het hebben van hersenen blijkbaar niet nodig. Heel gek is dat niet: het hebben van een brein kost heel veel energie. Als een dier goed doet wat het moet doen om te kunnen blijven bestaan – eten, overleven, voortplanten – heeft het geen zin om extra energie te stoppen in hersenen die hier niks aan bijdragen.

 

De hamvraag blijft natuurlijk: kunnen dieren tellen? Het antwoord is ja, maar niet alle dieren. Onderzoek heeft bijvoorbeeld aangetoond dat dolfijnen goed zijn in wiskunde en dat zebravissen tot vier kunnen tellen. Wetenschappers denken dat alle vissen kunnen tellen. Dus als je tijdens je volgende duik langs een botervisje zwemt, vraag je dan eens af hoeveel duikers het al heeft geteld.