Leestijd: 7 mins

Waar komt de karper eigenlijk vandaan, hoort hij wel thuis in Nederland en waarom kunnen ze er zo verschillend uitzien?

Voor veel zoetwaterduikers is het een hoogtepunt als ze tijdens een duik een karper of zelfs een school karpers tegenkomen. Karpers zijn redelijk schuwe vissen maar als ze een beetje gewend zijn aan duikers dan is de kans groot dat je rustig met ze mee kunt zwemmen. Op hun gemak zwemmen ze door het water, af en toe een hap nemend uit de bodem. Dat zorgt dan meteen voor een stofwolk. Vaak zijn de karpers die je als duiker tegenkomt gekweekte vissen. De echte wilde karper heet ook wel “boerenkarper” en ziet er anders uit dan de gekweekte vis. De gekweekte karper heeft een veel hogere rug dan de wilde vorm. Karpers kunnen 1.20 meter groot worden. Vaak zijn de karpers die we onder water tegenkomen ook erg groot. In de vrije natuur kunnen ze wel 30 tot 40 jaar oud worden. Duik je in een afgesloten plas dan is de kans erg groot dat je ieder jaar dezelfde karper(s) tegenkomt, als vissers ze er tenminste niet uitvissen. Voor vissers is een karper ook een mooie vangst en gelukkig zetten de meesten hem weer terug in het water.

 

Karpers

 

Kweekvijvers

Het is nog steeds niet 100 procent zeker waar onze karpers vandaan komen. Oorspronkelijk leefde de karper alleen rond de Kaspische Zee. Na de laatste ijstijd waren de Kaspische Zee, de Zwarte Zee en het Aralmeer een tijdje met elkaar verbonden. Het meest aannemelijk is dat karpers zich toen vanuit de Kaspische Zee verspreid hebben, naar het westen richting Zwarte Zee en Donau. En naar het oosten in de richting van China, Japan en Rusland. Men vermoedt dat zo’n 9000 jaar geleden al karpers voorkwamen in het Donaugebied. De Donau mondt uit in de Zwarte Zee en in de jaren 1000-1100 was de temperatuur hoger dan gemiddeld, wat de karpers de kans bood om vanuit de Zwarte Zee en Donaugebied het stroomgebied van de Rijn te bereiken. Want karpers hebben hoge temperaturen nodig voor een geslaagde voortplanting. Eitjes kunnen aan vogelpoten blijven plakken en door overstromingen konden de karpers nieuwe gebieden bereiken. De Romeinen hebben de karper ook verspreid door ze voor de kweek naar Italië te halen. In Nederland werd in de middeleeuwen karper als consumptievis in kloostervijvers gehouden. De oudste vermeldingen van de karper stammen uit de middeleeuwen. Een vermelding uit 1405 heeft het over het vervoer van 3000 karpers met paard en wagen. Vanuit de kweekvijvers verwilderde de karper weer. Deze verwilderde karper kennen we nu als boerenkarper maar als de theorie over de verspreiding klopt, kan het zijn dat er nog echte wilde karpers in de Nederlandse wateren rondzwemmen. De karpers die tegenwoordig worden uitgezet voor en door de sportvisserij zijn allemaal gekweekte karpers.

 

Zie je in de onderwatervegetatie grote kale plekken, dan is dat ook vaak het werk van een karper.

 

Omdat de karper oorspronkelijk niet in Nederland thuishoort, hebben ze hier problemen met de voortplanting. De paai vindt plaats bij temperaturen boven de 18 graden in rustig, ondiep water met veel begroeiing waar de eitjes in blijven hangen. Hard substraat en de kale bodem worden bij gebrek aan beter ook gebruikt. Maar dat komt de eitjes niet ten goede. Afhankelijk van die watertemperatuur valt de paai in mei of juni en deze kan doorgaan tot eind juli. Zelfs tot in augustus als het water te lang te koud blijft. Als de eitjes eenmaal gelegd zijn kunnen deze bij dalende of lagere watertemperaturen toch nog tot ontwikkeling komen. Is het water warm genoeg dan kunnen de eitjes al na enkele dagen uitkomen. De klimaatverandering zal voor de karpers ongetwijfeld voordelig uitpakken.

 

Alleseter

Op zonnige warme dagen vind je de karpers vaak heel ondiep of aan de oppervlakte. Het water is hier meestal net iets warmer en daar liggen ze lekker te zonnebaden. De karper houdt van warmte. In de winter vertrekken de karpers naar diepere plekken waar het water het warmst blijft. Ze vormen hier scholen en eten nog maar mondjesmaat. Eigenlijk is de karper een alleseter. Ze struinen de bodem af op zoek naar alles wat eetbaar is. Alles wat daar leeft wordt opgegeten, Dat kunnen wormen, kreeftachtigen, allerlei larven, slakken en zelfs mosselen zijn. Hard voedsel wordt met de keeltanden en het harde gehemelte vermalen. Plantaardig voedsel wordt ook gegeten. Wie in een plas duikt met een bestand aan karpers komt weleens stofwolken tegen die gemaakt zijn door de karper. Soms zit er in die stofwolk dan nog een karper die zich tegoed doet aan het bodemmateriaal. Zie je in de onderwatervegetatie grote kale plekken, dan is dat ook vaak het werk van een karper.

 

De karper is een van de snelst groeiende vissoorten; vooral de verschillende kweekvormen zijn snelle groeiers. Bij voldoende hoge watertemperaturen kunnen karpers in oktober van hun eerste levensjaar al een lengte van 10 centimeter bereiken. In de regel wordt de karper geslachtsrijp na 3 tot 4 jaar (mannetjes) of 4 tot 5 jaar (vrouwtjes). Ze leven in stilstaande en langzaam stromende wateren; in stromend water houdt hij zich op in stromingsluwe plaatsen. Een typisch kenmerk van de karper zijn de 4 baarddraden, 2 korte op de bovenlip en 2 lange in de mondhoeken. De vis heeft een lange rugvin met sterke eerste vinstralen. De kleur is grijsgroen tot bruin, de buikzijde is lichter.

 

  • Muggenlarven staan op het menu van de karper.
  • Karpers zoeken hun voedsel in de bodem waarbij ze behoorlijke stofwolken kunnen produceren.
  • Met het harde gehemelte en de keeltanden kunnen karpers zelfs mosselen vermalen en opeten.

 

Oost en west

De Europese karper heet officieel Cyprinus carpio. Af en toe zie je ook nog Cyprinus carpio carpio staan. Er bestaan verschillende vormen van de karper die meestal betrekking hebben op de schubben of de kleuren. De schubkarper is volledig bedekt met schubben. De spiegel- en rijenkarpers hebben een beperkte beschubbing, bij de lederkarper (ook wel “naaktkarper” genoemd) ontbreken schubben helemaal. Dit zijn geen andere soorten, ze zien er alleen anders uit, het blijft Cyprinus carpio, de Europese karper. In het oosten hebben we wel nog een tweede soort, Cyprinus rubrofuscus. Laten we hem voor het gemak “oostelijke karper” noemen. Beide soorten verschillen nauwelijks van elkaar. Vroeger waren het ondersoorten met de namen Cyprinus carpio carpio en Cyprinus carpio rubrofuscus. Door genetisch onderzoek is vast komen te staan dat het toch om twee verschillende soorten ging en ze werden opgewaardeerd tot twee aparte soorten: Cyprinus carpio en Cyprinus rubrofuscus dus. De koikarpers zijn weer een kweekvorm van de oostelijke karpers. Ondertussen hebben al kruisingen met westelijke karpers plaatsgevonden en dan met name met spiegelkarpers, waardoor de doitsu zijn ontstaan. Omdat de karpers makkelijk kruisen zijn er diverse verschijningsvormen van de karper gekomen: de wilde of boerenkarper, de schubkarper, de edel- of spiegelkarper, de rijenkarper, de leder- of naaktkarper, de volschub spiegelkarper, de goudkarper, de koi of nishikigoi, de doitsu enzovoort. Er zullen ongetwijfeld nog nieuwe vormen volgen. Het zijn dus geen andere soorten maar ze hebben alleen een andere verschijningsvorm.

 

Wel zijn er nog vissoorten in ons land die ook karper genoemd worden, tot  de karperachtigen horen maar geen echte karpers zijn. Bijvoorbeeld de graskarper (Ctenopharyngodon idella), grootkopkarper (Hypophthalmichthys nobilis), en de zilverkarper (Hypophthalmichthys molitrix). De goudvis (Carassius auratus) in ons vijvertje wordt ook vaak aangezien voor karper maar dat zijn ze niet. Het is wel een karperachtige die oorspronkelijk in China en Japan gekweekt werd als de goudkleurige variëteit van de giebel (Carassius gibelio). Omdat de goudvis een kweekvorm is en geen aparte soort zou hij niet eens een eigen Latijnse naam mogen hebben maar dat is weer een ander verhaal.

 

  • Bij de lederkarper beperken de schubben zich tot een klein aantal op de rug of staartwortel, soms ontbreken ze volledig.
  • Verwilderde koikarper. Grote exemplaren hebben niets te vrezen, de kleintjes vormen door hun kleuren een gemakkelijke prooi.
  • Koikarpers zijn een gekweekte vorm van de karper en kunnen behoorlijk kostbaar zijn.