Leestijd: 6 mins

Slijmvissen en grondels zijn nauw verwant aan elkaar. De parmantige slijmvisjes staan vaak op hun voorvinnen naar je te kijken.

Tijdens een nachtduik in Bretagne was ik voor het eerst onder de indruk van een slijmvisje. Het is lang geleden. Ik fotografeerde nog met een analoge amfibiecamera. Scherpstellen op kleine onderwerpen moest met behulp van een staafje met daaraan een soort plastic kader. Tijdens de nachtduik legt een gehoornde slijmvis zijn kopje precies in dat kader. Dus: scherp! Dat deed het visje zelfs een paar keer. Mijn buddy zat rustig te wachten terwijl ik steeds dieper in het gat kroop waar het slijmvisje zat. De scherptediepte was minimaal want het was het 1:1 vorkje, precies de maat van een dia. Toch was ik erg blij met het resultaat. Daarna ben ik de kleine vissen zoals de slijmvissen en grondels in Nederland meer gaan waarderen.

 

Grondels en slijmvissen zijn nauw met elkaar verwant en voor de leek moeilijk uit elkaar te houden. Grondels zijn van het geslacht Gobius in de familie van de zeegrondels (Gobiidae), die weer behoort tot de orde van baarsachtigen (Perciformes). Slijmvissen (Labrisomidae) zijn een familie van baarsachtige vissen. Ze worden voornamelijk aangetroffen in tropische gebieden in de Atlantische en Grote Oceaan en de familie omvat ongeveer 98 soorten. Veel soorten uit deze familie zijn felgekleurd. De grootste soort kan 30 centimeter lang worden, maar de meeste slijmvissen zijn veel kleiner. Ze blijven gewoonlijk in ondiep kustwater tot een diepte van ongeveer 10 meter. Ze vinden hun voedsel op de bodem, waar ze gewoonlijk ook blijven. Ze voeden zich met kleine kreeftjes en garnalen, slakken, slangsterren en zee-egels. Ik vind het parmantige visjes. Vaak staan ze op hun voorvinnen naar je te kijken. Nieuwsgierig als ze zijn en altijd op zoek naar voedsel, komen ze dichtbij. Want ze weten dat ze razendsnel kunnen wegschieten!

 

Bennie de Blennie

Slijmvissen

De gehoornde slijmvis zag ik voor het eerst in Zeeland in het westelijke deel van de Oosterschelde. Ik vond hem altijd op dezelfde steen in hetzelfde holletje. Ik bracht het visje weleens een mossel om op te eten. Dat moet je niet doen! Met mossel en al verdwijnt hij in z’n hol om voorlopig niet meer terug te komen… Je moet de mossel voor z’n neus houden, dat werkt beter. Soms was ik de mossel vergeten maar kwam hij toch uit z’n holletje om naar me te kijken. Ik meende zelfs een band met hem te hebben? Ik kon het niet laten het visje een naam te geven en “Bennie de Blennie” lag toch wel voor de hand. Daarna doken veel op Burghsluis en daar zagen we ze ook. Altijd parmantig met hun snuitje uit een holletje steken en goed gecamoufleerd.

 

Deel 2 van dit artikel – Grondels: schuw of juist brutaal – lees je hier

 

Steenslijmvis

Mijn grote lieveling is de steenslijmvis. Zo gek is de naam niet want deze slijmvissen zitten altijd heel ondiep op en tussen de stenen, in rotsspleten en poelen. Hier leven ze van slakken, vlokreeftjes, zeepissebedden en roeipootkreeftjes. Tijdens en na de paai (van april tot augustus) bewaakt het mannetje het territorium waarin meerdere vrouwtjes hun eieren afzetten. Het mannetje houdt de wacht tot de eitjes uitkomen. In de winter verhuizen de slijmvissen naar dieper water. Na een paar zachte winters komen de slijmvissen voor in het ondiepe water. Na een strenge winter zijn ze weg en duurt het weer een paar jaar voor de populatie op niveau is. De volwassen vis is een stevig diertje. Ze hebben geen schubben en een slijmlaag beschermt de huid. De steenslijmvis heeft ook geen tentakeltjes op de kop zoals zijn gehoornde neef, hij moet het helemaal hebben van zijn koddige uiterlijk!

 

Ik hoefde maar een keer over de zeepokken op de stenen te strijken, en ze kwamen dichterbij! Ze gingen zelfs op m’n hand zitten, totaal niet bang.

 

Slijmvissen

De eerste keer dat ik ze in het buitenland zag was in Cornwall, maar ze schoten steeds weg tussen de stenen in de branding. De visjes zijn perfect gecamoufleerd. Ik zag ze eigenlijk pas als ze bewogen. En dan maakten de oceaangolven het me ook nog moeilijk. Eigenlijk begrijp ik helemaal niet hoe ze zo rustig blijven zitten in de branding. Ik moet de grootste moeite doen om op mijn plek te blijven en zij kijken me lachend aan. Het lijkt wel of ze op de stenen geplakt zitten. In Bretagne vond ik deze zomer grote steenslijmvissen. Bij hoogwater zaten ze op de rotsen. Ik hoefde maar een keer met mijn handen over de zeepokken op de stenen te strijken, en ze kwamen dichterbij! Ze gingen zelfs op m’n hand zitten, totaal niet bang en ook nog midden op de dag! Geen wonder dat het mijn lievelingsvis is!

 

Drievinslijmvis

Het mannetje van de drievinslijmvis is goudgeel met een zwarte kop. Het vrouwtje is minder opvallen gekleurd. Bij nader inzien zijn ze allebei prachtig. Tijdens een duik in Bretagne zag ik alsmaar een mannetje heen en weer zwemmen en weer op een steen gaan zitten. De kop was helemaal donker, het lijf geel en met een blauw randje aan zijn rugvin. Pas later zag ik het vrouwtje. Ze zat heel stil en goed gecamoufleerd. Hij verraadde alles met zijn opvallende gedrag, de uitslover! De drievinslijmvis is ook heel nieuwsgierig. Soms was ik lekker aan het prutsen met de camera en zaten ze gewoon naast me en keken me aan alsof ze wilden zeggen: ‘Kijk haar, lekker bezig? Moet je geen foto van mij maken?’ Zo’n kans laat ik dan niet voorbijgaan!

 

Slijmvissen

 

 

Slijmvissen

Gestreepte slijmvis

Nog zo’n klein slijmvisje uit Bretagne is de gestreepte slijmvis. Ik heb nooit het hele visje gezien, alleen het kopje dat parmantig uitsteekt uit een oester of schelp. Het eet graag wormpjes. Het heeft een enorm verspreidingsgebied: van Bretagne en de Middellandse zee tot aan Zuid-Afrika en van Brazilië tot Patagonia. Het visje wordt maximaal 11 centimeter en zit altijd verstopt.

 

Redlipped blenny

Op Madeira heb ik de koning van de slijmvissen gezien. Zodra je van de kant het water ingaat, zijn ze er. Redlipped blenny’s spelen leuk met duikers. Zodra je dichterbij komt, schieten ze weg. Ze hebben geen zwemblaas en liggen altijd op de stenen. Ik heb daar regelmatig aan het einde van de duik rondgehangen op niet meer dan twee meter diepte.  De golven gooiden me heen en weer. Ik dacht me gewoon te laten meeslepen zonder te zwemmen, en zo de vissen te benaderen. En ja hoor, ik viel er bijna bovenop. Op een afstandje leken het donkere slangachtige vissen die tussen de rotsen weggleden. Maar eenmaal dichterbij zag ik prachtige gele en bruine vlekken, vooral op de kop. De gekke, halfronde bekken met kleine schraaptandjes zijn echt koddig. Daarmee schrapen ze algen van de rotsen. Hun lippen zijn roodachtig gekleurd en op de borstvinnen en de staartvin zit ook een roze-oranje glans. Hun verspreidingsgebied is aan beide kanten van de Atlantische oceaan. Ze staan op de Rode Lijst van bedreigde diersoorten omdat ze specifieke eisen stellen aan hun omgeving, en die ondiepe kustgebieden worden bedreigd door bebouwing en vervuiling. Ze houden van helder water en een rotsachtige bodem. Daar is genoeg van op Madeira.

 

Slijmvissen

 

 

Geen verschil

Waar kun je als leek makkelijk aan zien of het een grondel (Goby) of een slijmvis (Blenny) is? Nou, nergens aan! Slijmvisjes zijn vaak klein, vooral de tropische soorten. Maar er is ook een soort kelpvis die 60 centimeter groot kan worden. Zelfs de tropische sterrenkijker is een Blennoidei. Er zijn heel veel mooie bodemvisjes, maar dat wordt te veel. Dat komt weer een volgende keer, in een nieuw verhaal. Dan kijken we naar onze eigen grondels die ook klein kunnen zijn, zoals de glasgrondel en de brakwatergrondel. Zonder de familieverbanden helemaal uit te pluizen, het zijn allemaal hele leuke vissen: je kunt er ook gewoon van genieten!