Leestijd: 5 mins

‘Of er nu een miljoen mensen zijn die een sport willen beoefenen of tien: het moet voor iedereen mogelijk zijn om dat op een georganiseerde manier te doen.’

Op 20 mei 2019 vertrekt André Bolhuis na vier termijnen als voorzitter van sportkoepel NOC*NSF. Bijna negen jaar geleden nam hij de voorzittershamer over van Erica Terpstra. Bolhuis kijkt met veel plezier op de hele periode terug: ‘Hoogtepunten? Het was één groot hoogtepunt! Met als prettige afsluiting dat ik afscheid mag nemen van een mooie, financieel gezonde vereniging.’

 

André Bolhuis vertelt zijn verhaal mede aan Arjan de Vries, directeur van het Sportcluster Veenendaal. Allebei kennen ze de sport door en door. Bolhuis als aanvoerder van het Nederlands hockeyteam bij de Olympische Spelen (1972 en 1976), chef de mission bij de spelen van 1992 en 1996, bestuurder bij de Koninklijke Nederlandse Hockey Bond en later dus bij NOC*NSF. De Vries is ook al vanaf zijn jongste jeugd helemaal “van de sport” (moderne vijfkamp) en heeft veel ervaring als directeur van sportbonden. De laatste tien jaar is hij directeur van het sportcluster met daarin de Nederlandse Onderwatersport Bond, de Nederlandse Toerfiets Unie, de Koninklijke Nederlandse Dambond en de Nederlandse Bowling Federatie. Voordat Bolhuis afzwaait, wil De Vries graag met hem van gedachten wisselen over de toekomst van de georganiseerde sport en van zijn kleinere sportbonden.

 

Minder inkomsten

De twee vinden elkaar in het grote belang van de diversiteit van de Nederlandse sport. ‘Of er nu een miljoen mensen zijn die een sport willen beoefenen, of tien: het moet voor iedereen mogelijk zijn om dat op een georganiseerde manier te doen’, zegt André Bolhuis. Een fikse uitdaging, zo ervaart De Vries aan den lijve. De toerfietsers doen het goed maar aan de andere kant is er wel de wetenschap dat de sportduikers, de dammers en de bowlers in ledental inleveren. ‘Tot nu toe zijn de bonden erin geslaagd het niveau van de dienstverlening te handhaven,’ zegt Arjan de Vries, ‘maar het is de vraag of dat ook op termijn het geval is. Minder leden betekent minder inkomsten.’

 

Kleinere bonden zijn al blij als ze de basisondersteuning kunnen bieden aan hun leden. Precies waar die ledensubsidie voor bedoeld is.’

 

‘Het belang van bonden wordt ondergewaardeerd door veel partijen die zich met de georganiseerde sport bezighouden’, vindt De Vries. Door NOC*NSF ook? ‘Ja, ik durf wel te zeggen dat ook op Papendal het belang van de basale dienstverlening wordt onderschat.’ Bolhuis is het daar niet mee eens. ’Ik kreeg van Arjan het memo waarin het bestuur van de bowlers voor z’n leden op een rij zette waarom een contributieverhoging noodzakelijk was geworden. Ik weet zo langzamerhand wel dat met name de kleinere bonden in de problemen kunnen komen. Ik heb op dat moment gezegd dat de structurele ledensubsidie richting de bonden niet verder meer zou worden ingekrompen. Daar heb ik me ook aan gehouden.’

 

Output

Arjan de Vries waardeert het dat Bolhuis in dit verband zijn voorzittersbeen stijf heeft gehouden, maar maakt zich wel zorgen over de gang van zaken onder een nieuwe voorzitter. De Vries: ’De subsidie per lid staat al tijden onder druk. Dat is heel lang een subsidie geweest die bonden kregen om leden en verenigingen beter te kunnen ondersteunen bij de sportbeoefening. Een belangrijke subsidie, want het bedrag dat binnenkomt vormt al snel een kwart van de inkomsten van een bond. De laatste jaren zijn de zienswijzen veranderd. Tegenwoordig gaat het om de output. Het NOC*NSF wil resultaten zien. Wil kunnen meten. Daar een leuke actie, daar een leuk evenement. En dat heeft het opgeleverd. Een verkeerde ontwikkeling, vind ik. Omdat kleinere bonden niet het apparaat aan medewerkers hebben om die voorstellen en programma’s te bedenken en op te zetten. Die hebben geen subsidioloog in dienst die zich daar voltijds mee kan bezighouden. Nee, kleinere bonden zijn al blij als ze de basisondersteuning kunnen bieden aan hun leden. Precies waar die ledensubsidie voor bedoeld is.’

 

De besluitvorming binnen NOC*NSF wordt op het oog gedomineerd door een aantal grote sportbonden. Bonden die wel beschikken over medewerkers die met rapporten en plannen veel subsidiegeld kunnen binnenhalen. Bolhuis onderkent de aanwezigheid van een aantal grote sportbonden die samen veel stemmen in de Algemene Vergadering hebben, maar benadrukt tegelijkertijd de democratische besluitvorming. ‘Toch,’ zegt Arjan de Vries, ‘zijn het de grootste bonden die indertijd met de topsportsubsidie voor de acht meest succesvolle Olympische sporten zijn gegaan, en nu in grote meerderheid voorstander zijn van output. Die keuze mag NOC*NSF best opnieuw overwegen. Want ik weet hoe belangrijk de basale subsidie is om kleine en middelgrote bonden hun werk goed te laten doen. Door de jaren heen profileert een sportbond zich met zijn unieke programma’s, competities, services, diensten en activiteiten. Zeg maar de basis van de georganiseerde sport. Door deze continu te ontwikkelen, sluit een bond steeds weer aan op vernieuwingen en kansen die sporters en verenigingen vragen. Daarvoor zijn wij op aarde. Misschien moeten we basissubsidies koppelen aan modernisering, vernieuwing of innovatie in de basisdienstverlening van bonden. Dan zijn we goed bezig.’

 

Trots

Een cent kan maar eenmaal worden uitgegeven. En er zal altijd discussie blijven als er moet gekozen worden tussen topsport en breedtesport. Bolhuis: ’Het ene kan niet zonder het andere. De breedtesport is de basis van alle sportbeoefening en de rol van de georganiseerde sport, van de verenigingen en sportbonden dus, is enorm belangrijk. Aan de andere kant kan de sport ook niet zonder de topsport, zonder de uitstraling daarvan. Daarvoor hoef je tijdens grote sportevenementen waarbij Nederland succesvol is ook alleen maar om je heen te kijken. De uitstraling van zo’n prestatie werkt door alle lagen van de bevolking heen.’ Bolhuis memoreert trots de 324 medailles die in 2018 door Nederlandse sporters en teams zijn gewonnen. ’We doen overal mee. Mede door het focusbeleid waarvoor NOC*NSF heeft gekozen. Dat mag ook gezegd.’ De Vries knikt, als sportliefhebber herkent hij de uitstraling van de topsport. Desondanks kiest hij er in eerste instantie voor de mogelijkheden van de breedtesport te vergroten. ‘Nederland moet meer bewegen. Dat moet het eerste doel zijn van een Nederlandse sportorganisatie. Met als ideaalbeeld dat iedereen straks ook echt beweegt. Juist daarom moeten we de diversiteit in de sport bewaken.’

 

  • Het doel van een sportorganisatie is ervoor te zorgen dat iedereen beweegt (foto Rob Aarsen).
  • André Bolhuis, voorzitter van sportkoepel NOC*NSF waarbij ook de NOB is aangesloten.