Leestijd: 7 mins

In mei leggen alle visjes een ei – nou ja, bijna. Veel vissen beginnen al in de winter of het vroege voorjaar met het zorgen voor nageslacht. Het botervisje legt in januari en februari al eitjes. Ook de donderpadden in zout en zoet water leggen in de late winter eieren. Maar de meeste vissen wachten tot het water warmer is. Meestal is dit rond de maand mei bij een watertemperatuur van minimaal tien graden. En dan, als de eitjes er eenmaal zijn? Sommige vissoorten laten ze aan hun lot over, andere verdedigen hun broed tot de dood erop volgt.

Het bevruchten van de eieren kan op meerdere manieren gebeuren. Zelfbevruchting komt bij een enkele vissoort voor, maar het meest gebruikelijk is dat een mannetje de eitjes bevrucht. De bevruchting van de eitjes kan zowel inwendig als uitwendig gebeuren. Veel vissen paaien: het vrouwtje zet dan eieren af waarna het mannetje er overheen zwemt en de eieren bevrucht. Er zijn vissoorten die in open water paaien. Kuit en hom worden in het vrije water afgegeven en er wordt verder geen aandacht aan besteed. Er is geen broedzorg en de eieren zijn overgeleverd aan stromingen en rovers. De alom bekende mandarijnvisjes doen het op deze manier. Het spreekt voor zich dat bij deze methode veel eieren verloren gaan. Bij sommige soorten die op deze manier paaien is het de bedoeling dat de eitjes zinken en aan planten blijven plakken. Hier hebben ze een grotere kans op overleven. Want alles wat op de bodem terecht komt wordt opgegeten of verrot. Brasem en karper paaien op deze manier.

 

Kerstbomen

Heel anders gaat het bij de zoetwaterbaars. De eitjes worden in mooie slingers gelegd – bij voorkeur ergens overheen. Takkenbossen of de kerstbomen die door duikers in het water worden gezet, zijn daar heel geschikt voor. De vrouwtjesbaars legt de eitjes, de mannetjesbaars bevrucht deze en daarna worden ze aan hun lot overgelaten. Doordat ze niet op de bodem worden gelegd geeft moeders de eitjes wel enige bescherming tegen opeten. Weer andere vissen zetten eitjes af onder schelpen of stenen, maar ook rotsspleten of zelfs kuiltjes in de grond voldoen. Het stekelbaarsje maakt een echt nest van planten en zand in een kuiltje in de grond. De snoekbaars heeft alleen maar een stevige schone ondergrond nodig om de eieren te leggen. Voor de zoetwatersoorten in stilstaand water is ook nog van belang hoe diep ze de eitjes leggen. Met het warmer worden van het water vormt zich de kenmerkende thermocline (een scheiding tussen warm water in de bovenste laag en koud water daaronder). Onder de thermocline is het voor veel eitjes te koud om tot ontwikkeling te komen.

 

De eitjes van vissen die in open water paaien zullen de duikers bijna nooit opvallen. Bij de eieren die niet worden bewaakt is het vaak gissen van welke vis ze afkomstig zijn, tenzij ze zeer specifiek voor de soort zijn. De slingers van de zoetwaterbaars kunnen niet worden aangezien voor die van een andere soort, simpelweg omdat er geen andere zoetwatersoort rondzwemt die op deze manier eieren legt.

  • Mandarijnvissen tijdens de paring. De bevruchte eitjes drijven weg in de stroming.
  • Snoekbaars die de witte laag eieren bewaakt. Hij zal niet aarzelen om aan te vallen.

Agressief

Sommige vissoorten bewaken wel degelijk hun eieren. Soms doen het mannetje en het vrouwtje dat samen, zoals bij het anemoonvisje. Vaak neemt het mannetje deze taak alleen op zich. Deze mannetjes kunnen dan vrij agressief zijn. Aanvallen van snoekbaarzen op duikers zijn in het broedseizoen geen onbekend fenomeen. Toch is dit meestal de schuld van de duiker die net iets te dicht bij het nest komt. Zo’n aanval van een snoekbaars voel je best hard aankomen. Of hij valt de camera aan en dan zit er weer een volgende kras op de lenspoort. De veel kleinere visjes zijn net zo onverschrokken: een stekelbaarsje zal ook niet aarzelen om een duiker aan te vallen, gelukkig zonder verstrekkende gevolgen voor de duiker. Ga in zo’n geval iets verder weg liggen en bekijk het gedrag van dit kleine visje eens op je gemak. Het mannetje van de stekelbaars is in de eerste plaats bijzonder mooi gekleurd. Verder doet hij alle moeite om het nest stofvrij te houden en van zuurstofrijk water te voorzien. Alles wat iets te dicht bij het nest komt wordt zonder pardon weggejaagd.

 

Indien het mannetje in zijn eentje de eieren bewaakt, heeft dat wel zijn prijs. Omdat ze koste wat kost het nageslacht willen behouden, worden jagen en eten lastiger. Vroeg of laat sterven veel mannetjes door uitputting. Daarbij is het de laatste jaren jammer genoeg zo dat stropers vaak precies weten op welke plaatsen de snoekbaarzen zich in het broedseizoen ophouden. Het is bij wet verboden om tijdens de broedtijd  snoekbaarzen weg te vangen, maar toch zien duikers tijdens het seizoen iedere dag minder snoekbaarzen. De eitjes van deze snoekbaarzen zijn dan ook binnen een dag verdwenen. Het onderwaterleven doet zich tegoed aan dit maal zodra ze niet meer bang hoeven te zijn om te worden aangevallen.

 

Onder stenen

Andere vissoorten hebben dit probleem opgelost door de eitjes tussen of onder stenen en schelpen te leggen. De rivierdonderpad, marmergrondel en zwartbekgrondel plakken hun eitjes vaak tegen de onderkant van overhangende stenen. Dit biedt iets meer bescherming tegen rovers. Maar de mannetjes zullen ook bij deze methode hun nest verdedigen. Mochten de eitjes toch bloot komen te liggen dan worden ze ook snel opgegeten door andere dieren. Omdat deze vissen hun nesten goed bewaken is het redelijk makkelijk om het ei bij de soort te voegen. Toch zit hier ook een addertje onder het gras. De eitjes van bijvoorbeeld de marmergrondel en zwartbekgrondel lijken erg veel op elkaar. Waar beide vissoorten voorkomen is het even goed opletten om ze van elkaar te kunnen onderscheiden.

 

De muilbroeders hebben een totaal andere oplossing gevonden. Deze vissen broeden – de naam zegt het al – de eitjes in hun bek uit. Soms doet het mannetje dit, soms het vrouwtje en soms allebei om de beurt. Bij sommige soorten wordt er gebroed tot de eitjes uitgekomen zijn en de eizak van de jongen is opgebruikt. De jongen worden uitgespuugd en mogen het verder zelf uitzoeken. Weer andere soorten nemen de jongen bij gevaar terug in hun bek. Dit gaat goed totdat de bek te klein wordt voor de groter wordende visjes. Muilbroeders komen niet voor in de Nederlandse wateren.

  • Eitjes van de marmergrondel, vastgehecht aan een mossel.
  • Baarseieren worden aan hun lot overgelaten. Zwartbekgrondels lusten wel eieren die op de bodem zijn gevallen.
  • De driedoornige stekelbaars is druk bezig met het schoonhouden van het nest en zal niet aarzelen om duikers weg te jagen.
  • De eitjes van rivierdonderpadden lijken erg veel op die van zeedonderpadden. Net als bij de zeedonderpadden bewaakt het mannetje de eieren.

Zeepaardjes

Wat we wel hebben in het Nederlandse zoute water zijn vissen met een broedbuidel. We hebben het dan over zeepaardjes. Ieder jaar worden er wel een of enkele waargenomen in de Oosterschelde. Duikend Nederland staat dan op z’n kop want het blijft altijd een bijzondere waarneming. De eitjes worden met kleine aantallen tegelijk door het vrouwtje in de broedbuidel van het mannetje gelegd waarna het mannetje ze bevrucht. De bevruchting van de eitjes vindt bij het mannetje plaats, iets wat uitzonderlijk is in de dierenwereld. Nadat de eitjes zijn uitgekomen en de jonge zeepaardjes zelfstandig zijn, verlaten ze de broedbuidel.

 

Ten slotte zijn er soorten waarvan we de eieren nooit zullen vinden. Sommige vissen zijn ovovivipaar. Ze hebben wel eieren, maar deze komen in het lichaam uit waardoor het lijkt alsof ze levende jongen ter wereld brengen. Van de paling vinden we ook nooit eieren, om een heel andere reden. Na vijf tot vijftien jaar in zoet of brak water te hebben geleefd vertrekt de paling richting zee. Daar begint een hele lange reis naar de Sargassozee. Veel palingen komen daar nooit aan. Simpelweg omdat ze door vissers worden weggevangen. De palingen die wel aankomen paaien op grote diepte en gaan dan dood. De eieren ontwikkelen zich tot een larfje. Deze larfjes beginnen aan de lange reis naar het zoete water. Eenmaal aangekomen op voor duikers bereikbare plaatsen en diepten zijn de larfjes al lang getransformeerd tot glasaaltje. Maar veel glasaaltjes komen hier nooit aan.. De aaltjes die het wel redden vertrekken na vijf tot vijftien jaar in zoet of brak water te hebben geleefd als volwassen paling weer richting Sargassozee. Maar veel palingen komen daar nooit aan..