Leestijd: 7 mins

Ook waterdieren kunnen inburgeren. Het lijkt erop dat uitheemse soorten in zoet water voor meer problemen zorgen dan in zout water.

Nederland is een multiculturele samenleving. Vanuit alle uithoeken van de wereld zijn hier mensen te vinden. Vaak hebben ze een verblijfsstatus of ze zijn vluchteling, meestal met de intentie om ooit nog eens terug te keren naar eigen land als het veilig is, als het politieke klimaat beter is of de oorlog voorbij. Dan zijn er nog (gast)arbeiders en economische vluchtelingen. Onder water heeft de multiculturele samenleving inmiddels ook zijn intrede gedaan. Vanuit alle uithoeken van de wereld zwemt, kruipt of loopt er van alles rond onder water, zowel in zout als in zoet water. Hoe komen ze hier? Gaan ze weer weg? Worden ze ooit echt Nederlands? Zijn er voor- of nadelen?

 

Meeliften

Voor enkele diersoorten blijft het de vraag hoe ze hier terecht zijn gekomen. We denken te weten dat ze nooit in Nederland hebben geleefd, maar zelfs dat is niet met honderd procent zekerheid te zeggen. Miljoenen jaren geleden kwam een zeer nauwe verwant van de Aziatische korfmossel (Corbicula fluminea) in Nederland voor. Nu wordt deze korfmossel als exoot gezien – in 1988 voor het eerst in Nederland gevonden. De herkomst van deze exoot is niet met zekerheid te zeggen, vermoedelijk zuidoost Rusland. Hoe deze korfmossel in Nederland terecht is gekomen is ook niet met zekerheid te zeggen maar inmiddels zijn veel waterwegen met elkaar verbonden. Denk aan het Rijn-Donau kanaal. Via deze waterwegen kunnen dieren nieuwe wateren bereiken. De Kaspische slijkgarnaal (Chelicorophium curvispinum) heeft zo Nederland kunnen bereiken. Scheepvaart heeft ook een grote invloed op het binnenhalen van nieuwe diersoorten. Dieren kunnen zich vasthechten op de scheepsromp en zo meeliften naar nieuwe wateren. In lens- en ballastwater kunnen larven overleven. Dit water werd vaak geloosd in de haven van aankomst, inmiddels is dit verboden. In het zoete water zorgt de zonnebaars (Lepomus gibbosus) op plaatsen voor overlast. De zonnebaars is een exoot afkomstig uit Amerika. De bedoeling was om deze vis in tuinvijvers te houden maar hier was het duidelijk de mens die deze vis in natuurlijke wateren heeft vrijgelaten. De zonnebaars eet bijna alles; van wormen tot broed van andere vissen en amfibieën, ook de zeldzame.

 

Het lijkt erop dat de exoten in het zoete water geen natuurlijke vijanden hebben en zich ongehinderd kunnen voortplanten. Dit heeft een hele verschuiving in soortensamenstelling tot gevolg.

 

Veel exotische zoutwatersoorten bereiken Nederland met behulp van de scheepvaart. Maar de import van mosselen en oesters is waarschijnlijk de grootste boosdoener. Deze “Zeeuwse zaligheden” worden veel geïmporteerd uit Ierland of Frankrijk. De mosselen en oesters verwateren in de Oosterschelde en gaan daarna verder als Zeeuwse mossel of oester. Afhankelijk van het land van herkomst kunnen de diersoorten die tussen de mosselen of oesters leven, verder leven in de Oosterschelde. De Japanse zakpijp (Styela clava) heeft hoogstwaarschijnlijk tussen oesterbroed zijn weg naar de Nederlandse zoute wateren gevonden. Van de slingerzakpijp (Botrylloides violaceus) is niet meer te zeggen hoe hij in Nederland terecht is gekomen. En dan zijn er nog de soorten die op eigen kracht de Nederlandse wateren bereiken. Met de steeds warmere winters hebben zuidelijke soorten en soorten die in de Atlantische oceaan leven meer kans om de Nederlandse winterse watertemperaturen te overleven. Lipvissen en de fluwelen zwemkrab zijn soorten die in de Oosterschelde goed gedijen tot er weer een strenge winter volgt. De watertemperatuur wordt dan zo laag dat deze dieren het niet overleven. Weer andere dieren zoals de Japanse stekelhoren (Ocenebra inornata) zijn wereldreizigers. Met oesterimport vanuit Azië is hij meegereisd naar Amerika. Vanuit Amerika is hij weer meegereisd naar Frankrijk om van daaruit de Europese westkust te veroveren. In 2007 is de Japanse stekelhoren voor het eerst gevonden nabij Yerseke, de hotspot van mossel- en oesterkweek in de Oosterschelde.

 

Inheems of ingeburgerd?

Voor veel uitheemse soorten zijn de Nederlandse omstandigheden in het water prima. Opvallend is het grote aantal soorten dat met “Japanse” begint. Blijkbaar heersen in de Zeeuwse wateren dezelfde omstandigheden als in de oost aziatische wateren, waardoor deze dieren hier prima leefomstandigheden aantreffen. Worden ze ooit echt Nederlands? Ja en nee. Wanneer een organisme inheems, ingeburgerd of exoot is, daarover zijn zelfs de geleerden het niet helemaal eens. Inheems zijn soorten die door natuurlijke areaaluitbreiding in Nederland terechtgekomen zijn en zich tenminste twee generaties zelfstandig handhaven in Nederland. Ingeburgerd zijn soorten die voor het jaar 1500, maar volgens sommigen voor 1900, in Nederland aanwezig waren. Een exoot is door menselijk toedoen in Nederland terechtgekomen. Ingeburgerd en exoot zijn blijkbaar ruime begrippen. Is de snoekbaars een exoot? Hij is eind negentiende eeuw uitgezet voor de visvangst. Hij is voor 1900 al aanwezig in Nederland maar niet voor 1500. Is hij dan ingeburgerd? Zeker is dat veel mensen hem als inheems zien. De snoekbaars plant zich zelfstandig voort en als hij niet wordt weggevist, is hij in veel wateren te vinden.

 

Vaak is het zo dat als er een nieuwkomer opduikt, er meteen een doemscenario wordt gepresenteerd. De nieuwkomer zou catastrofale gevolgen hebben voor de inheemse soorten. Met de komst van exoten in het zoete water is dat inderdaad zo. Inheemse soorten zijn verdwenen, andere hebben moeite zich te handhaven. Als een van de eersten verscheen de marmergrondel (Proterorhinus semilunaris). Hij verdrong de inheemse zoetwaterdonderpad (Cottus perifretum). Niet lang daarna verscheen de zwartbekgrondel (Neogobius melanostomus) en dit was letterlijk het einde voor de zoetwaterdonderpad. Zelfs de marmergrondel moest het veld ruimen. Ze eten onder andere mosselen en verder alles wat ook maar enigszins eetbaar is. Die mosselen zijn quaggamosselen, ook een nieuwkomer. De quaggamossel heeft de driehoeksmossel (Dreissena polymorpha), ook al een exoot, verdrongen. Die quaggamossel komt nu zo massaal voor dat de zwartbekgrondels geen honger hoeven te hebben. Het lijkt erop dat de exoten in het zoete water voor serieuze problemen zorgen. Ze hebben hier blijkbaar geen natuurlijke vijanden en kunnen zich ongehinderd voortplanten. Dit heeft een hele verschuiving in soortensamenstelling tot gevolg. In het zoete water heeft de komst van nieuwe soorten tot een soortenverarming gezorgd. Visbroed wordt door zwartbekgrondels en zonnebaars gegeten. Slakkeneitjes zijn voor deze vissen ook een lekkernij. Met de komst van de zwartbekgrondel zijn in veel plassen de aantallen slakken sterk afgenomen. Vlokreefjes en zoetwaterpissebed zijn bijna niet meer te vinden. In sommige plassen is de hele bodem bedekt met quaggamosselen en daar bovenop massa’s zwartbekgrondels. Met wat geluk zie je nog een baars of een ander visje.

 

Voordeel

In het zoute water ligt dat iets anders. Na zich in de vestigingsjaren explosief te hebben vermeerderd, keren de meeste organismen terug naar normale hoeveelheden. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen problemen kunnen zijn met uitheemse soorten in het zoute water. De komst van de Amerikaanse ribkwal (Mnemiopsis leidyi) heeft grote gevolgen gehad in de Zwarte- en Kaspische zee. Wat de gevolgen zijn voor de Zeeuwse wateren is niet bekend. Hetzelfde is van toepassing op de Amerikaanse zwaardschede (Ensis directus), inmiddels de meest voorkomende Ensissoort in de Nederlandse wateren. De komst van verschillende soorten zakpijpen heeft niet heel veel invloed gehad. De Japanse zakpijp staat netjes tussen de inheemse doorschijnende zakpijpen (Ciona intestinalis). Met de komst van de druipzakpijp (Botrylloides violaceus) is het er zelfs kleurrijker op geworden. De bruine plooislak (Goniodoris castanea) heeft er zelfs voordeel bij gehad. Die eten immers slingerzakpijp. Een van de laatste nieuwkomers is het schepje (Philine quadripartita). Dat is een slak die in de Atlantische oceaan leeft, waar de watertemperatuur in de winter niet zo sterk zakt. Het vermoeden bestaat dat ze in de Oosterschelde kunnen overleven door de warmere winters. Helemaal duidelijk is dat niet. Heeft het schepje grote gevolgen voor de inheemse flora en fauna? Zijn nieuwkomers een zegen of vloek? Dat kan alleen met duidelijkheid worden gezegd als de gevolgen voor de inheemse flora en fauna bekend zijn.

 

  • De fluwelen zwemkrab doet het goed in de Oosterschelde. tot er een strenge winter is.
  • De zonnebaars is een exoot uit Amerika.
  • De import van mosselen en oesters is waarschijnlijk de grootste boosdoener.
  • De bruine plooislak heeft voordeel bij exoten. Deze slak eet slingerzakpijp.
  • De zoetwaterpissebed is bijna niet meer te vinden.