Leestijd: 7 mins

Niet alles wat rond is, doorzichtig en voorzien van tentakels, is een kwal. Onder water is niets wat het lijkt.

Toen ik klein was gingen we in de zomer vaak naar het strand. Ik vond het heerlijk: zon, zee en spelen in het zand! Zo had ik alle tijd om me in het strandleven te verdiepen en werd ik al op jonge leeftijd gefascineerd door kwallen. Toen ik ging duiken zag ik hoe mooi en gracieus kwallen zijn, en hoe sierlijk ze door het water dansen. Daarnaast zag ik veel meer doorzichtige dieren in de zee zwemmen. Ze hebben tentakels en zien eruit als kwallen, maar dat zijn het niet.

 

Deze kwallen die geen “echte” kwallen zijn, worden door de biologen in een andere soort (stam) gezet. Ze heten ribkwallen (Ctenophora). Tot deze stam horen de zeedieren die lijken op neteldieren maar geen netelcellen hebben. De ribkwallen steken dus niet. De naam “ribkwal” slaat op de gekamde ribben op het lichaam. De wetenschappelijke naam is een samentrekking van het Griekse ctene (kam) en phora (drager). Alle ribkwallen hebben een reeks van 8 verticale ribben over het lichaam. Op deze ribben staan trilhaartjes die gesynchroniseerd bewegen en zo een ​​golfje langs het lichaam van de ribkwal veroorzaken. Zo duwen de ribkwallen zich door het water. Als je probeert ze te fotograferen, kom je erachter hoe snel ze gaan! Er zijn bijna 90 soorten ribkwallen bekend. De meeste zijn bolvormig of ovaal, met een vreemd zintuig aan de achterkant, daar waar de ribben bij elkaar komen. Dat zintuig (officieel heet het een “statocyst”) is een evenwichtsorgaan dat ook in andere ongewervelde zeedieren voorkomt. Je moet het zien als een zakje met een klein korreltje erin, en allemaal sensorhaartjes eromheen. Hiermee kan de ribkwal zijn oriëntatie en evenwicht bewaren. De bek zit aan de voorkant van het dier. Wanneer de trilharen bewegen, zwemt hij met zijn bek naar voren.

 

Omringd door kwalletjes

Verschillende soorten Ctenophora kennen we onder andere, meer bekende namen. Zoals de zeedruif (Pleurobrachia pileus), de meloenkwal (Beroe cucumis) en de Amerikaanse langlob ribkwal (Mnemiopsis leidyi). Deze laatste is veel groter en is ook een exoot, zoals de naam al zegt. Hij is hier sinds 2006. Hoewel ribkwallen meestal klein zijn, kan de venusgordel (Cestum veneris) een lengte bereiken van wel twee meter. Ten noorden van Noorwegen, bijna bij de noordpool, ligt Spitsbergen. Zelfs in juni is het water hier zo’n 2 graden. Wie had nou gedacht dat daar ook veel kwallen voorkomen? Tijdens de veiligheidsstop op 6 meter diepte werden we omringd door kleine kwalletjes in verschillende vormen, maten en kleuren. Er kwam een diertje langsdrijven in de vorm van een buis. Naar later bleek was het een meloenkwal. De meloenkwal kan wel 15 centimeter lang worden en voedt zich voornamelijk met een andere ribkwal: de kortlob-ribkwal. Hij schijnt ook in de Noordzee voor te komen, maar ik heb hem daar nog nooit gezien. Ribkwallen kom je in bijna alle zeegebieden tegen en dan vooral in het oppervlaktewater bij kusten. Stroming en wind vegen ribkwallen vaak in enorme scholen bij elkaar in baaien, lagunes en ander kustwater.

 

Helaas is dit zee-engeltje wel mooi maar niet lief: dit engeltje is een bengeltje!

 

Behalve één parasitaire soort zijn alle ribkwallen fanatieke jagers en vleeseters. Ze eten talloze kleine planktondiertjes. Wanneer ergens veel van is in een zeegebied, eten ribkwallen het grootste deel van de jonge visjes, larven van krabben, tweekleppige schelpdieren en oesters, roeipootkreeftjes en ander zoöplankton. Daarmee zijn het geduchte concurrenten voor vissen als sardines en haring. Ribkwallen hebben verschillende manieren om voedsel te vangen. Sommige soorten hebben een grote bek met trilhaartjes. De meer primitieve soorten hebben een paar lange, intrekbare tentakels met hechtende cellen (“colloblasten”). Deze cellen scheiden een kleefstof af waaraan de prooidiertjes blijven plakken. Geen netelcellen dus, maar kleefcellen – dat is uniek voor de Ctenophora. De kleurloze ribkwallen zijn transparant als ze in het water zweven, behalve hun prachtig iriserende rijen kamplaten. De meeste ribkwallen geven blauwachtig, rood of groen licht af. Als je er lang en van dichtbij naar kijkt, zijn het betoverende wezentjes. Zo weggelopen uit een hallucinatie!

 

Zwemmende naaktslak

Tussen al die kwallen in Noorwegen zag ik een ander bijzonder diertje. Het had vleugeltjes, waarmee het ook kon zwemmen. Pas na thuiskomst kwam ik erachter dat het helemaal geen kwalletje was, maar een zwemmende naaktslak. De Clione limacina, of gewone vlerkslak, is allesbehalve gewoon. Het is een voedselspecialist die voornamelijk een andere slak eet die, hoe kan het anders, ook in het koude arctische water rondzwemt. Dat andere slakje heet in het Engels “sea butterfly”. Het lijkt wel een beetje op een vlinder maar het leeft in een echt slakkenhuisje. De kruipvoet is omgevormd in twee vleugeltjes waar het razendsnel mee rond wappert. Gelukkig zwemt de vlerkslak twee keer sneller dan zijn prooi en heeft hij een gewone rasptong (“radula”) waarmee hij de sea butterfly opeet. Het “vlerkje” is zo’n 5 centimeter groot en heeft in het Engels veel bijnamen. “Sea angel” vind ik wel de leukste. Helaas is dit zee-engeltje wel mooi maar niet lief: dit engeltje is een bengeltje!

 

Salp

Nog een dier dat in het vrije water zwemt en voor een kwal wordt aangezien, is de salp. Salpen zijn tunicata, ofwel manteldieren. Manteldieren zijn zakvormige dieren omgeven door een laag cellulose, zoals de o zo bekende zakpijpen. Salpen zwemmen in het vrije water. Er zijn solitaire salpen – een individu kan tot 8 centimeter groot worden – of kolonies. Salpen trekken zich samen en pompen daarmee water door hun lichaam. Daardoor kunnen ze zich voortbewegen en zich tegelijkertijd voeden met plankton. Plaatselijk vormen salpen soms omvangrijke maar kortlevende kolonies. Bij het eiland Santo Antao (Kaapverdië), waren er ineens heel veel dingen in het water aanwezig. Ik had geen idee wat het was. Ze waren formaat toiletrolletje, bijna doorzichtig, kleurloos en massaal aanwezig. Deze waren allemaal zo’n 10 centimeter groot, maar als er voldoende voedsel in het water is kunnen ze veel groter worden. Soms klitten ze samen tot monsters van wel tientallen meterslang! Amerikaanse zeebiologen hebben ontdekt dat salpen een belangrijke rol spelen als transporteurs van broeikasgassen naar de zeebodem. De salpen eten grote hoeveelheden algen die de CO2 opnemen. Het restant poepen ze uit, samen met de CO2. De uitwerpselen zakken naar de bodem en daar wordt de CO2 in de zeebodem opgeslagen. Een grote kolonie van deze dieren kan zo’n 4000 ton CO2 per nacht verwerken. De populatie salpen neemt toe – zouden ze de aarde kunnen redden?

 

Parapluutje

Ze hebben een ronde vorm, zijn doorzichtig met witte strepen die van het midden naar de rand lopen (radialen genoemd) en korte tentakels aan de rand. Zijn dit kwallen? Nou nee. Het ziet er wel uit als een kwal, maar het is in feite een voortplantingsstadium van een hydroid. Toen ik nog dacht dat het kwallen waren, heb ik drie verschillende soorten van deze hydromedusen kunnen fotograferen. Het lampenkapje (Aequorea vitrina) heb ik al lang geleden in de Grevelingen gefotografeerd. Het is best wel groot, zo’n 15 centimeter. De tweede soort noemen wij het parapluutje, maar op die naam kan ik online niets vinden. Na lang zoeken vind ik deze naam op de anemoonwebsite: Eutonina indicans. Later vind ik op een andere site een Engelse naam: “Umbrella Jelly”. Zo zie je ze niet, en soms zijn er veel. Het is maar een heel klein diertje van 2 centimeter, maar dat maakt niet uit. Ik vind iedere nieuwe ontdekking weer even leuk! De derde hydromeduse, Aequorea forskalea, heb ik twee jaar geleden gevonden. Daar heb ik geen Nederlandse naam van. In het Engels vind ik: “Thecate Hydroid”, “Christal jelly” en “Many-ribbed Jellyfish”. Zelf vind ik de laatste naam wel leuk. Het “veelgeribd kwalletje” dekt wel de lading. De hydroidpoliepen zijn maar klein, terwijl de volwassen hydromedusen wel meer dan 15 centimeter groot kunnen worden. Daar komt bij dat veel kwallen in hun voortplanting een stadium hebben waarbij ze als poliep aan de bodem vastzitten. Dus zijn kwallen maar tijdelijk een kwal en worden dan een vastzittende hydroidpoliep? Pfff, mijn hersens draaien overuren!

 

  • Ctenophora danken hun naam aan de gekamde ribben op het lijfje (foto: Rob Aarsen).
  • Zeedruif; een betoverend wezentje.
  • De Amerikaanse langlob ribkwal is een exoot. Hij is hier sinds 2006.
  • Niet lief: vlerkslak.
  • Salpen vormen kolonies van tientallen meterslang. De oranje bolletjes zijn de magen van de afzonderlijke dieren (foto: Rob Aarsen).
  • Parapluutje.
  • Hydromedusen kunnen wel meer dan 15 centimeter groot worden.