Leestijd: 7 mins

Chemie, stekels, zelfs elektrische schokken. Zeedieren en –planten verkeren in een voortdurende wapenwedloop.

Een haai is sterk, heeft een indrukwekkende rij van vlijmscherpe tanden en kan snel zwemmen. Dat gebruikt hij niet alleen om op prooien te jagen, maar ook om zich te verdedigen tegen soortgenoten. Tonijnen en makrelen – vis waar de haai op jaagt – zijn gestroomlijnd en hebben sterke spieren bij de vinnen. Zo kan de vis snel zwemmen om de haai te ontwijken: een typische vluchtreactie. Andere vissen zoals sardientjes of snappers zoeken hun veiligheid juist in grote aantallen. Zij vormen een school en verminderen zo de kans dat juist zij worden opgegeten (foto 1). Weer andere vissen, zoals de schorpioenvissen, liggen op de bodem en vallen nauwelijks op. Als ze toch worden gezien, zijn ze met een snelle beweging van hun staart gauw uit beeld. Maar hoe zit het met de dieren die niet snel kunnen zwemmen? En de dieren die überhaupt niet kunnen bewegen, zoals koralen? Om te voorkomen dat ze worden opgegeten, hebben dieren en wieren onder water een reeks aan verschillende verdedigingsmechanismen ontwikkeld. We zetten de meest interessante voorbeelden op een rij.

 

Sterke bescherming

Een gebrek aan snelheid wordt in de dierenwereld vaak gecompenseerd door sterk te zijn, of door een sterke bescherming te hebben. Veel slakken (zoals de stompe alikruik, foto 2) leven bijvoorbeeld in een huisje van kalk en de kreeftachtigen hebben een uitwendig skelet. Een uitwendig skelet heeft wel een nadeel: groeien gaat een stuk lastiger. Het uitwendige skelet kan namelijk niet veranderen van grootte en moet dus eerst worden afgeworpen voor het dier kan groeien. Vlak voor dit proces, dat “vervellen” heet, maakt het dier een nieuw pantser onder het oude skelet. Dit nieuwe skelet is nog zacht. Zodra het oude pantser volledig is afgeworpen, pompt de kreeftachtige snel een grote hoeveelheid water zijn lichaam in, waardoor het nog flexibele skelet uitzet. In deze periode is het dier wel kwetsbaar voor rovers. Daarom verschuilen vervellende kreeftachtigen zich vaak. Zodra het nieuwe skelet hard is geworden, heeft het dier weer zijn volledige harnas in een maatje groter. De vervelling speelt ook een grote rol tijdens de voortplanting – dit is namelijk hét moment voor vrouwtjes om te paren. Mannetjes kunnen vaak zien welke vrouwtjes toe zijn aan een vervelling en zullen dan bij het vrouwtje blijven tot ze een zacht skelet heeft en klaar is om te paren. In Zeeland zijn bijvoorbeeld mannetjes strandkrabben te zien die een vrouwtje omklemmen met hun schaarpoten: zo bewaken ze hun uitgekozen partner (foto 3). Ook na de paring houdt het mannetje het vrouwtje vaak nog een tijdje in een omhelzing. Hij beschermt zo het vrouwtje en zijn nakomelingen tot ze weer een hard pantser heeft.

 

Als je niet sterk bent, of geen stevig huis hebt, moet je maar slim zijn. Door zich te camoufleren en volledig op te gaan in de omgeving, kunnen veel dieren zich verstoppen voor predatoren. Platvissen liggen bijvoorbeeld op de bodem en zijn vaak zandkleurig. Zo vallen ze bijna niet op. Een echte meester van camouflage is de octopus: dankzij de cellen in de huid kunnen deze dieren in een oogwenk compleet van kleur veranderen. Het echte geheim zit hem niet alleen in de kleur, maar ook in de textuur. Door uitstulpingen te creëren in de huid, kan de octopus nog beter de steen, het koraal, de zanderige bodem of juist het zeewier nadoen. Als hij toch wordt gesnapt, schiet de octopus met behulp van zijn straalaandrijving razendsnel weg en laat hij zijn belager in een verwarrende wolk van inkt achter. Octopussen worden maar zelden gezien in de Oosterschelde (en niet alleen omdat ze zo goed gecamoufleerd zijn), maar de sepia is een jaarlijkse bezoeker. De sepia is net zoals de octopus een inktvisachtige en ook zij kunnen snel van kleur veranderen. Een ander dier in de Oosterschelde dat zijn kleur aan de ondergrond aanpast is de veranderlijke steurgarnaal. Op de gele geweispons is deze garnaal geel (foto 4a), op zeesla is de garnaal gifgroen en op het bruinwier wakame krijgt de garnaal een goudbruine kleur. Als de garnaal van woonplaats verandert, kan hij in een paar dagen zijn lichaamskleur opnieuw aanpassen – een echte onderwaterkameleon (foto 4b). Andere dieren gebruiken een techniek die compleet tegenovergesteld is aan camouflage. Met felle kleurtjes en vormen proberen ze zo goed mogelijk op te vallen en een boodschap over te brengen: ‘Eet mij niet op, ik ben giftig!’

 

  • Foto 1
  • Foto 2
  • Foto 3
  • Foto 4a
  • Foto 4b
  • Foto 5

 

Terugvechten

Behalve de passieve manieren van verdedigen – vluchten, verstoppen – zijn er ook dieren die zich actiever verdedigen. Kwallen hebben bijvoorbeeld netelcellen met gif. In deze cellen zitten harpoenen die afschieten zodra ze getriggerd worden. Dieren die verwant zijn aan de kwallen, zoals anemonen en hydroïdpoliepen, hebben ook netelcellen. De netelcellen zijn niet sterk genoeg om door de huid van de mens te komen. We voelen daarom geen beet zoals we wel kunnen voelen bij sommige kwallen. Toch zijn de netelcellen van anemonen wel actief tegen andere dieren onder water. De netelcellen hebben één nadeel: eenmaal afgeschoten kunnen de harpoenen niet nog een keer gebruikt worden. In gespecialiseerde stamcellen worden daarom continu nieuwe netelcellen geproduceerd. Een aantal naaktslaksoorten maakt hier handig gebruik van. Zij eten de anemonen – inclusief stamcellen – op en verteren het voedsel. De stamcellen bewaren ze en die worden verplaatst naar de puntjes van de papillen op hun rug. Daar maken de stamcellen weer nieuwe netelcellen aan, ondanks dat ze nu in de naaktslak zitten in plaats van in een anemoon. De naaktslak heeft niet alleen te eten, maar heeft ook nog het verdedigingsmechanisme gestolen (foto 5).

 

Een ander dier dat gebruikt maakt van een actieve verdediging is de kogelvis (foto 6). Deze vis is een vrij langzame, klunzige zwemmer. Maar de huid van veel kogelvissoorten is volledig bezet met stekels. Deze zijn op zichzelf al effectief en het effect wordt nog eens versterkt als de kogelvis zich opblaast. Door razendsnel een enorme hoeveelheid water op te zuigen bij dreiging van gevaar, verdubbelt de kogelvis bijna in grootte. De stekels steken zo nog eens extra uit. Daarbij is de kogelvis ook nog eens extreem giftig. Eén kogelvis bevat genoeg gif om 30 volwassen mensen te doden. Het eten van een kogelvis kan dus een vervelende uitkomst hebben voor een rover die het voor elkaar krijgt om de stekelbal als lunch op te eten. Harpoenen, stekels en gif klinken al gevaarlijk genoeg, maar sidderroggen spannen de kroon. Dankzij een gespecialiseerd orgaan kunnen sidderroggen een elektrische schok tot wel 220 volt afgeven. Als dat een jagende vis niet afstoot…

 

Chemische verdediging

Voor organismen die niet kunnen lopen en vluchten, is bescherming misschien nog wel belangrijker. Koralen hebben een hard kalkskelet. Veel sponzen bestaan uit glasnaaldjes en hydroïdpoliepen hebben netelcellen die ze af kunnen vuren. Deze dieren zijn hierdoor oneetbaar voor het grootste deel van hun natuurlijke vijanden. Wieren lijken hier een uitzondering op te zijn. Zeewieren kunnen niet van plaats veranderen als ze eenmaal verankerd zijn aan de bodem, maar ze zijn vaak wel zacht en flexibel en daarmee een lekker hapje voor veel dieren. Denk maar aan namen als zeesla en suikerwier. Toch worden veel zeewieren niet opgegeten. Veel zeewieren kunnen namelijk chemische stoffen produceren die ze oneetbaar maken. Deze chemische verdediging kan altijd “aan” staan, maar de productie van de chemische stoffen is vrij kostbaar. Dit loont dus alleen als er heel veel vijanden aanwezig zijn om de zeewieren op te eten. Daarom wordt de chemische verdediging in veel zeewiersoorten gestimuleerd zodra ze begraasd worden. Zo besteedt het wier geen kostbare energie aan de productie van stoffen die hij niet nodig heeft. Knotswier – een veel voorkomend wier uit het getijdengebied in Zeeland – wordt bijvoorbeeld veel begraasd door huisjesslakken en zeepissebedden. De hechtschijf waarmee het wier aan de stenen verankerd zit en het onderste deel van het wier zijn het meest belangrijk voor het wier om te overleven. In dit gedeelte is de productie van chemische afweerstoffen hoger dan in bijvoorbeeld de puntjes van het wier. De puntjes kunnen namelijk sneller opnieuw groeien. Op deze manier kan het wier zijn eigen chemische verdediging zelf regelen.

Vluchten, vechten, verstoppen: dieren en wieren hebben allerlei manieren om zich tegen elkaar en tegen roofdieren te verdedigen. Maar tegen de meest gevaarlijke van allemaal maken ze nog weinig kans: de mens. Voor consumptie halen we in Nederland per jaar nog steeds 500 miljoen kilo haring, 100 miljoen kilo schol en 88 miljard noordzeegarnalen uit de Noordzee. Daar doet zelfs die goede camouflage van de schol niks aan.