Brasem
De brasem komt in Nederland in vrijwel elk zoetwatertype voor. De paai van brasem vindt plaats in de periode van april tot juni op ondiepe plaatsen. Normaal zie je ze haast niet, het zijn schuwe vissen, maar in de paartijd is alles anders. De mannetjes komen aanzwemmen in een groep. Daarna gaan ze allemaal een plekje zoeken in het riet. Dan draaien ze rondjes om zowel hun paaiplekje te verdedigen als een vrouwtje aan te lokken. Van opwinding (en de hormonen) happen ze met hun bekje en ze hebben ook witte plekken op hun schubben, hoe meer, hoe beter. Je hoeft alleen maar stil te blijven zitten, ze komen gewoon langs.
Zeepaardjes, zeenaalden en fluitvissen
Een van de mooiste voorbeelden van broedzorg onder water zijn wel de mannelijke zeepaardjes. De soort die in Zeeland voorkomt heet kortsnuitzeepaardje. Het verschil met de tropische is duidelijk te zien, dat zijn vaak de langsnuitzeepaarden. Alle mannetjes hebben een broedbuidel, waar ze de eieren in bewaren, soms totdat ze op springen staan. Dan komt de bevalling, dat is een hele klus, zelfs met echte barensweeën. Al die tijd blijft het vrouwtje in de buurt, verder dan vier of vijf meter gaat ze niet weg. Ongeveer een week na de bevalling komen ze weer samen en voeren ze een heel ritueel op. Ze zwemmen om elkaar heen en draaien hun staarten in elkaar als een soort liefkozing en na nog wat ‘gefoezel’ komt de paring. Ze zwemmen buik aan buik omhoog en het vrouwtje probeert haar eieren in zijn buideltje te stoppen. Ondanks haar ‘legbuisje’ gaan er soms wel een paar verloren, maar dat geeft niet.
Adderzeenaald
Van de verwante zeenaald in onze eigen Oosterschelde is bekend dat hier ook het mannetje de eieren bewaart onder zijn buik. De zeenaald heeft geen broedbuidel, maar de eieren worden beschermd van het zoute water door een vliesje, een soort huidlaagje. Ik heb dat eens duidelijk gezien bij een adderzeenaald.

Driedoornige stekelbaarsjes
In het vroege voorjaar komen de stekelbaarsjes van de Noordzee naar het zoete water. Later, zo ongeveer in mei of juni krijgt het mannetje een mooi, rood gekleurd buikje. Daarmee moet hij de vrouwtjes verleiden om hun eieren te leggen in een soort kokertje, wat hij zelf gemaakt heeft. Dan kan hij de eitjes bevruchten en die ook weer wel vijf dagen verdedigen. Ik had het nooit allemaal verwacht van zo’n klein visje.

Slakdolf
In de Oosterschelde is dit kleine visje er soms: de slakdolf is er bijna alleen maar in december en januari. Het is een bodemvisje, het lijfje lijkt een beetje op een kikkervisje, met groot kopje en lange staart. Wel heeft dit visje (maximaal 15 cm) verschillende patronen van streepjes of stippen, soms zelfs een soort ‘koevlekken’, dit alles om onopgemerkt te blijven. Het vrouwtje legt de eieren bij voorkeur in een speciale spons, de geweispons. Vaak blijft ze vlak bij de spons liggen, het is niet zeker dat de eieren worden bewaakt en is dat dan door het vrouwtje of het mannetje? Het is wel frappant gedrag.
Meervallen
Nog een vis waarbij de mannetjes voor de eieren zorgen en ook actief bewaken, zijn de meervallen in het zoete water. Een beetje meerval valt dan ook de duikers aan. Als ze echt boos worden ‘bumpen’ tegen de duikers aan en dat doen ze niet voorzichtig. Wel vijf dagen lang zijn ze ‘boos’! Ze kunnen ook geluiden maken, een soort akoestische signalen, die kunnen echt veel herrie maken. De meerval in Nederland wordt ook wel ‘Europese’ meerval genoemd, deze soort kan makkelijk 1,5 meter lang worden. Van Big Mama in de Kempervennen was bekend dat ze wel meer dan twee meter was. Een paar jaar geleden was ze ook ‘haar’ eieren aan het verdedigen en bleek het ineens een Big ‘Papa’ te zijn! Als fotograaf wil je wel foto’s maken, maar niet de confrontatie aangaan. Je moet snel handelen, vlug foto’s maken en dan rap afstand nemen. Het is een kwestie van respect.

Japanse stekelhoren en meer exoten
De Japanse stekelhoorn is een exoot, de grote schelp is waarschijnlijk meegekomen met de import van oesters in Yerseke. Hun naam is de oesterboorder, want het schelpdier boort een klein gaatje in een oester en zuigt het dan helemaal leeg. Daar zijn de oesterkwekers niet blij mee. Wel maken deze exoten prachtige eikapsels, het lijken wel gouden ‘urntjes’, erg mooi. [12]
Een andere nieuwe soort, de gladde wratslak, het is een grote naaktslak, samen met de ruwe wratslak is het allemaal wel wat wennen. Ik vond zelfs eieren van de gladde wratslak op een strandkrab, die daar trots mee rond liep.
Zwarte grondel
Bij de grondels gaat het er ook spectaculair aan toe. De meest mannetjes worden helemaal zwart in de paaitijd. Hij zoekt een dode oesterschelp en verleidt het bruine vrouwtje om haar eieren in een lege oester te leggen. Bij gebrek aan schelpen kunnen ze ook stenen of ander hard substraat gebruiken. Helaas heb ik alleen foto’s van eieren in een oester. Net als de andere soorten grondels bewaakt de zwarte grondel wel dagen of weken de bevruchte eieren.

Flamingoplatworm
De flamingoplatworm is ook ineens hier gekomen. Oorspronkelijk komt het dier uit Amerika, dus dat maakt het een exoot. Maar dat maakt het mooie diertje niet minder bijzonder.
De flamingoplatworm is hermafrodiet, dus mannelijk en vrouwelijk. Ze willen graag paren, maar ze willen niet zelf bevrucht worden. Ze hebben allemaal een stekel, een soort speertje. Tijdens de bevruchting kan het er wild aan toe gaan, Ze draaien soms als een tolletje om elkaar heen, en het eindigt meestal dat beide dieren bevrucht zijn.

Snotolf
Ook de snotolven komen speciaal voor de voortplanting naar de Oosterschelde. En bij de snotolven blijft het mannetje bij de eieren en bewaakt ze actief. Soms is hij lang bij de eieren, zeker als er meerdere vrouwtjes een ‘legsel’ afzetten, zodat hij volzit met parasieten. De roeipootkreeftjes vreten zich in de huid van de snotolf. Nog gekker, op de kreeftjes zitten lange sliertjes, dat zijn platwormen. En die voeden zich met het huidslijm van de snotolf. Ik hoop maar dat het arme dier zijn plaaggeesten gaat verliezen zodra hij weer terug is in de open zee.

Zeesterren
Zeesterren doen niet echt aan broedzorg, maar ze ‘doen’ het wel als ze bij elkaar zijn en dan allemaal tegelijk. Ik heb het in de Oosterschelde gezien met hoogwater (en springtij) eind maart of in begin april. Dan liggen er ‘toevallig‘ een stel zeesterren bij elkaar en tijdens de kentering gaat er een hoog op zijn poten staan en dan doet de rest ook mee, allemaal tegelijk. Bij de mannetjes zie je dan dat ze tussen de poten mooie witte vloeistof loslaten, als draden. En de vrouwtjes doen dat ook maar daar zijn de draden meer korrelig, het zijn de eieren. En zo’n zes weken later zien we hetzelfde fenomeen gebeuren in Noorwegen, bij Kristiansand. Dit gedrag zou je niet gauw verzinnen onder water, laat staan van een zeester.

Zeeveren
Ook in Kristiansand vonden we de zeeveren in een fjord op een zandvlakte rond de 25 meter. Het zijn heel bijzondere dieren, ze kunnen zich leeg laten lopen en zich zo terugtrekken in het zand. Ze zijn doorzichtig en je kunt de eieren al in het dier zien zitten. Ze kunnen de eieren loslaten, wanneer ze dat willen, meestal is het allemaal tegelijk en met volle maan. De zeeveer is eigenlijk een koraal, het behoort tot de subklasse Octocorallia (klasse Anthozoa of bloempoliepen), ongeveer tweehonderd soorten omvattend, die voornamelijk in dieper water, tot in de diepzee, voorkomen. Ik kende ze al van de tropen, maar wist niet dat ze ook in koud water voorkomen.
