Leestijd: 6 mins

Op eigen kracht, via rivieren en kanalen, of via ballastwater van schepen emigreren vreemde waterwezens naar Nederland. Zo leven er inmiddels al vier soorten exotische grondels in ons zoetwater. Hun buikvinnen zijn aaneengegroeid tot een zuignap en het zijn hondsbrutale beesten. Onder meer onze aloude donderpad wordt door deze grondelmonstertjes bedreigd.

In het Nederlandse zoete water komen we de laatste jaren vier nieuwe grondels tegen. Alle vier hebben ze een ding gemeen: vroeger kwamen ze niet in Nederland voor. Waar komen ze dan vandaan, hoe zijn ze hier gekomen, hoe herken je ze en wat is hun invloed op het ecosysteem waar ze leven?

 

Laten we beginnen de beestjes bij de naam te noemen. We hebben het over de Kesslers grondel (Neogobius kessleri), de Pontische stroomgrondel (Neogobius fluviatilis), de marmergrondel (Proterorhinus semilunaris) en de zwartbekgrondel (Neogobius melanostomus). Alle vier komen ze uit een gebied in het zuidoosten van Europa dat het Ponto-Kaspische gebied wordt genoemd. Hiertoe behoren ook de Zwarte- en Kaspische Zee.

 

grondels

Main-Donau kanaal

Er zijn een paar mogelijkheden voor hoe deze soorten naar Nederlands water zijn gekomen. Soms wordt een aquarium leeggegooid en komen soorten zo terecht in water waar ze niet thuishoren. Maar de grondels zijn nu ook weer niet zulke schoonheden dat ze in een aquarium worden gehouden, dus dit zal niet de oorzaak zijn van deze nieuwkomers. Een betere verklaring vinden we in het Main-Donau kanaal. Dit kanaal verbindt de Donau met de Main en deze mondt weer uit in de Rijn. En de Donau mondt weer uit in de Zwarte Zee. Zo is er een hele mooie verbinding ontstaan tussen de rivieren waar allerlei organismen, met of zonder schip, gebruik van kunnen maken. De vissen kunnen op eigen kracht stroomopwaarts migreren en als ze het schip nemen kunnen ze overleven in het ballastwater. Bij het lozen van het ballastwater hebben we dan ineens enkele nieuwkomers in de Nederlandse wateren. De romp van een schip kan gebruikt worden als aanhechtingsplaats voor eitjes. Ze kunnen de eitjes ook tussen ander aanhechtingsmateriaal leggen. Denk bijvoorbeeld aan de quagga- en driehoeksmossel die een scheepsromp wel aangenaam vinden. Inmiddels zijn deze mosselen in Nederland ook al op veel plaatsen massaal aanwezig. En ja, ook deze komen uit het Ponto-Kaspische gebied. De grondels zijn lang niet de enige Ponto-Kaspische soorten die inmiddels in het zoete water van Nederland voorkomen.

 

In het begin kan het lastig zijn de soorten grondels goed uit elkaar te houden. De vier grondels hebben een paar dingen met elkaar gemeen. Ten eerste staan de ogen hoog op de kop. De buikvinnen zijn aaneengegroeid tot een zuignap, ze paaien meerdere keren per jaar en de eieren worden afgezet aan de onderkant van hard substraat waar de mannetjes ze bewaken. Tot slot eten ze allemaal bodemdiertjes zoals kleine kreeftachtigen en insectenlarven. Naast ander voedsel.

 

grondels

Gemarmerde tekening

Met een beetje oefening zie je genoeg verschillen. Waaraan herken je ze? De marmergrondel is het gemakkelijkst. Je hoeft alleen naar de neus te kijken. Zitten er twee buisjes op de plaats waar wij onze neusgaten hebben dan is het een marmergrondel. Zitten ze er niet dan is het geen marmergrondel. De mannetjes worden in de paaitijd bijna zwart en ze kunnen elf centimeter lang worden. De Kesslers grondel heeft een grote brede kop die in verhouding tot de andere drie grondels erg plat is. Hij heeft een roodbruin gemarmerde tekening, ook op de vinnen. Hij wordt maximaal twintig centimeter groot. Bij de Pontische stroomgrondel en de zwartbekgrondel wordt het in eerste instantie weer iets lastiger. Qua uiterlijk lijken ze veel op elkaar en de kleur van beide soorten is afhankelijk van de ondergrond waarop ze leven. Gelukkig is er een groot verschil. De zwartbekgrondel heeft een zwarte vlek achter in de voorste rugvin waaraan hij makkelijk te herkennen is. De mannetjes kunnen in de paaitijd bijna helemaal zwart worden. Ze worden tot 25 centimeter lang en hebben een voorkeur voor stenige bodems. De Pontische stroomgrondel heeft geen zwarte vlek. De mannetjes krijgen in de paaitijd geel met zwarte vinzomen. Ze worden tot twintig centimeter lang en hebben een voorkeur voor zanderige bodems. Kort samengevat: de marmergrondel heeft buisvormige neusopeningen. De zwartbekgrondel heeft een zwarte vlek op de eerste rugvin. De Kesslers grondel heeft een brede platte kop. De Pontische stroomgrondel heeft niets van dit alles.

 

Om de lijst exotische grondels compleet te maken: er zijn nog twee soorten, die we als sportduiker echter niet tegenkomen. De witvingrondel (Romanogobio belingi) komt voor in langzaam stromende rivieren en lijkt heel erg veel op de inheemse riviergrondel (Gobio gobio). De naakthalsgrondel (Neogobius gymnotrachelus) komt nog niet voor in Nederland maar dat zal niet zo heel lang meer duren. Beide soorten komen ook uit het Ponto-Kaspische gebied.

 

grondels

Steeds massaler

In het zuiden van het land verscheen rond 2009 de eerste marmergrondel in de Grote Hegge, een van de plassen waarin wordt gedoken. In de jaren daarna liep de stand inheemse rivierdonderpadden (Cottus perifretum) langzaam terug. In 2012 verschenen de eerste zwartbekgrondels in de Grote Hegge. De rivierdonderpaddenstand liep heel snel nog verder terug. Inmiddels worden de rivierdonderpadden nog maar zelden of niet gezien. De Pontische- en Kesslers grondel zijn nog niet in de Limburgse plassen aanwezig maar wel al waargenomen in de Maas. Sinds de zwartbekgrondel aanwezig is loopt het bestand aan marmergrondel ook terug. De zwartbekken worden steeds massaler. Die moeten natuurlijk allemaal eten. Van het kleinere onderwaterleven blijft dan ook weinig over. In de Polderplas waren de zwartbekken al enkele jaren eerder aanwezig. Hier worden er tijdens een duik makkelijk honderden waargenomen. Zeker ’s winters is het vaak de enige vissoort die wordt gezien. Hopelijk komt het zo ver dat roofvissen zoals baars, snoek en snoekbaars de grondels leren eten. Of ze dan dit overweldigende aanbod aan zwartbekken tot toelaatbare proporties terug kunnen brengen…? In de Polderplas is dit in ieder geval nog niet gebeurd.

 

grondels

 

Met de komst van deze exoten sterft de donderpad langzaam uit. Dat komt omdat de exoten het niet zo nauw nemen met de voedselkeuze. Ze eten bijna alles wat ze te pakken krijgen. Ze zijn snel geslachtsrijp, het mannetje doet aan broedzorg en op de Pontische stroomgrondel na hebben ze een voorkeur voor stenige oevers. Voor de rivierdonderpad geldt dit ook. Waarom wordt de donderpad dan verdrongen door de exoten? De nieuwkomers zijn concurrentiekrachtiger. Met andere woorden, ze zijn brutaal, hondsbrutaal. Ze hebben de betere schuil- en nestgelegenheden allang bezet voordat de donderpad überhaupt een kans krijgt. En anders wordt hij gewoon verjaagd. De rivierdonderpad heeft het nakijken en moet het doen met de minder goede plekken, als er al plek overblijft. Zo wordt de rivierdonderpad een makkelijkere prooi voor vissen, vogels en eiereters die wel een rivierdonderpadeitje lusten.

 

grondels

In de Polderplas worden tijdens een duik makkelijk honderden zwartbekgrondels waargenomen.

 

_____________________________________________

Biologische Werkgroep

De Biologische Werkgroep bestaat uit duikers met interesse in onderwaterbiologie. Dit zijn zowel professionele als hobbybiologen. Het doel is de kennis bij andere duikers en geïnteresseerden te vergroten. De werkgroep organiseert daarom minstens vijf keer per jaar een duikweekend voor de eigen leden waarin een bepaald thema wordt uitgediept. Daarnaast is er één keer per jaar een cursus onderwaterbiologie voor geïnteresseerden en verzorgt de werkgroep samen met het Nationaal Park Oosterschelde een aantal wandelingen langs de vloedlijn. Alle gegevens die de Biologische Werkgroep verzamelt worden doorgegeven aan Stichting Anemoon en de Strandwerkgemeenschap, waarmee de werkgroep nauwe banden heeft. Informatie en agenda: www.biologischewerkgroep.nl