Na een enkele melding bij de Bergse Diepsluis in 2016, volgen de waarnemingen van deze bodemvissen elkaar de laatste tijd steeds sneller op. De laatste vijf jaar zijn er aanhoudend veel waarnemingen van stekelroggen, pijlstaartroggen en gevlekte roggen. Ook de sterrog en de kleine rog worden incidenteel gemeld. Kustgebieden blijken belangrijk te zijn als paai- en opgroeigebied voor deze soorten. Omdat gedetailleerde data voor de Nederlandse kustwateren echter grotendeels ontbreken, gingen we te rade bij onderzoekers van Wageningen University & Research.

WUR
Binnen Wageningen University & Research (WUR) richt de vakgroep Aquaculture & Fisheries (onderdeel van de faculteit dierwetenschappen) zich op aquacultuur en visserij-ecologie. Hun onderzoek omvat zowel kweekvis als wilde vis- en roggensoorten. Eleanor Greenway en Jan Jaap Poos werken er aan het project “The migration of sharks and rays from the North Sea”. In dit project onderzoeken ze de migratie, verspreiding en populatieopbouw van onder meer roggensoorten in onze contreien.
Historisch gezien werd er gericht op roggen gevist voor consumptie. Hun vlees werd erg gewaardeerd als voedsel. Daarnaast werd pijlstaartrogolie, rijk aanvetzuren en vitamine A/D, gebruikt als gezondheidsondersteunend supplement. In de Nederlandse kustwateren geldt voor roggen sinds 2008 echter een vangstverbod of strikt quotum, waardoor er geen actieve markt voor gerichte vangst meer bestaat. Desondanks worden roggen vandaag de dag nog vaak gevangen als bijvangst in de gemengde demersale visserij (bodemvisserij). Hoewel die visserij zich richt op soorten als tong of schol, behoren roggen als bodemdieren helaas nog te vaak ongewild tot de ‘catch of the day‘.
Type schepen:
- Beam trawlers (boomkor- of balkslepers): Deze schepen slepen een zware metalen balk (beam) over de bodem om het net open te houden.
- Otter trawlers (bordslepers): Deze schepen slepen één of meerdere netten achter zich aan die horizontaal worden opengehouden door verticale scheerborden (otterboards). Door de stroming worden deze borden naar buiten geduwd. Het belangrijkste verschil met de boomkor is dus de manier waarop het net open wordt gehouden: een vaste, stijve balk versus flexibele, zijwaartse ‘vliegers’.
Aan boord
Eleanor en haar collega’s van de WUR gaan regelmatig mee aan boord om de bijvangst nauwgezet te onderzoeken. Het overlevingspercentage van roggen die als bijvangst aan boord komen is gelukkig relatief hoog. Zo’n 85% overleeft de vangst en gaat weer overboord.
Individuen die het niet redden, worden meegenomen om de maaginhoud te onderzoeken. Dit gebeurt door middel van dissectie, waarbij het volledige spijsverteringskanaal wordt verwijderd om de inhoud te wegen, te sorteren en te identificeren. Omdat roggen voornamelijk harde prooien zoals krabben, garnalen en schelpdieren eten, blijven de chitinepantsers en schaalresten relatief lang intact in de maag. Dit maakt hun maaginhoud goed te determineren, zelfs wanneer de prooien al gedeeltelijk verteerd zijn. Soms maken de onderzoekers ook gebruik van stabiele isotopenanalyse. Hiermee kunnen ze op een grotere tijdschaal de voedselbronnen in kaart brengen, zelfs over een periode van meerdere maanden.
Isotopenanalyse
Waar maaginhoudonderzoek laat zien wat een rog vandaag heeft gegeten, werkt isotopenanalyse als een chemisch logboek over een langere periode. Door de verhoudingen van elementen zoals stikstof en koolstof in het weefsel te meten, kunnen onderzoekers achterhalen welk type voedsel de rog de voorbije maanden heeft gegeten, en in welk type leefgebied (bijvoorbeeld diepe zee of ondiepe kust) het dier verbleef.
Op het menu staan onder meer garnalen, zandspiering, zwemkrabben en schelpdieren. Daarbij verandert de prooikeuze naarmate de rog ouder wordt. Jagen doen ze vanuit een hinderlaag, ingegraven in het zand of actief foeragerend, waarbij ze hun ‘ampullen van Lorenzini’ (elektroreceptoren) gebruiken om prooien in het zand op te sporen. De populatie van roggen in de OS is relatief klein, hierdoor zal ze geen problematische druk op deze prooisoorten uitoefenen.
Levende exemplaren van minimaal 50 cm komen in aanmerking voor een DST (Data Storage Tag). Deze roggen hebben voldoende lichaamsmasssa. Zo ondervinden ze geen hinder van de zender, die extern als een soort ‘piercing’ aan de basis van de rug of staart wordt bevestigd. Het plaatsen gebeurt tijdens een korte ingreep van minder dan drie minuten. De gebruikte DST werkt als een soort ‘USB-stick’ die nauwkeurig temperatuur, diepte en tijd bijhoudt. Na één tot twee jaar komt deze automatisch los, waarop deze naar de oppervlakte stijgt. Wanneer zo’n DST aanspoelt op het strand, kan deze worden geretourneerd aan de WUR; alle instructies hiervoor kan je op de DST zelf aflezen.

De data op deze ‘USB-sticks’ zijn goud waard. Ze bieden inzicht in migratieroutes tussen de Oosterschelde en de Noordzee, dieptegebruik tijdens dag- en nachtritmes, en seizoensverplaatsingen naar warmere zones. Om de dieren te kunnen zenderen, worden verschillende methoden ingezet. Dit gebeurt niet enkel bij de bijvangst op vissersboten. Met ringnetten is het mogelijk om vissen met een minimale impact en stress te vangen. Ook worden stationaire fuiken en leefnetten gebruikt, waarbij nauwkeurige monitoring essentieel is, zodat de dieren er niet te lang in verblijven. Ook de recreatieve hengelvisserij draagt haar steentje bij: hoewel sportvissers vaak op andere soorten doelen, laten roggen zich regelmatig verleiden door het aangeboden aas, wat waardevolle data voor het onderzoek oplevert.
Aanwezigheid in de Oosterschelde
De Oosterschelde is van oudsher geen klassieke ‘hotspot’ voor enorme aantallen roggen. Toch laten diverse bronnen – van duikerswaarnemingen op platforms als Waarnemingen.nl en meldingen van Stichting ANEMOON tot data van sportvissers en wetenschappelijke projecten van zowel ILVO als WUR – een duidelijke trend zien. Een aantal soorten komt inmiddels regelmatig tot frequent voor in onze wateren.
| Soort | Voorkomen in de OS | Waarom hier? | Voeding & Kenmerken |
| Stekelrog (Raja clavata) | Veruit de meest gemelde soort. In de OS vooral juvenielen tussen 4-20m diepte bij o.a. Bergse Diepsluis, Zeelandbrug en Oesterdam. | Zoekt ondiepe, warmere zandplaten met rustige stroming (zuidelijke platen). Ideaal opgroeigebied voor jonge roggen. | Juvenielen eten zandspiering en jonge krabben, wormen en schaaldieren. Legt eikapsels in zanderige, begroeide gebieden. |
| Pijlstaartrog (Dasyatis sp.) | In opmars. Regelmatige seizoensgast (mei-okt), gemeld tussen 5-18m bij de Bergse Diepsluis, de kering en rustige binnen baaien. | Warmteminnend, trekt jaarlijks in mei via het Kanaal naar het Deltagebied. Houdt van beschutte estuaria en kreken. | Eet bodemvissen, schaaldieren en weekdieren. In tegenstelling tot de stekelrog is deze soort levendbarend (ovovivipaar). |
| Gevlekte rog (Raja montagui) | Regelmatige gast. Komt algemeen voor in de Noordzee (28-530m), maar werd in 2025 ook in de OS gespot. | Kustbewoner die profiteert van de luwte en het voedselaanbod in het estuarium. | Lijkt op de stekelrog maar met een fijner vlekkenpatroon. Eet kleine bodemdieren. |
| Blonde rog (Raja brachyura) | Zeldzaam in de OS. Vooral bekend van eikapsels die kunnen aanspoelen op het strand. | Gebruikt de Noordzeezijde (Voordelta) als foerageergebied; eikapsels spoelen vaak aan op het strand. | Grootste rog in de regio. Heeft een camouflagepatroon met zwarte stipjes op de rug. |
| Kleine rog (Leucoraja naevus) | Incidentele gast. Zeer weinig waarnemingen binnen OS, blijft meestal in dieper water. | Komt voor in kustwateren, maar trekt soms diep het estuarium binnen. | Ook bekend als Koekoeksrog of Grootoogrog vanwege de twee grote oogvlekken op de rug. |
| Ster rog (Amblyraja radiata) | Zeer zeldzaam. Dwaalgast uit koudere wateren. | De OS in eigenlijk te ondiep en te warm voor een regelmatig bezoek van deze diepzeebewoner. | Kleinere soort met een kenmerkende stervormige stekels op de rug. |
Omdat de stekelrog veruit de meest voorkomende soort is, loont het om deze van dichtbij te bekijken. Met een gemiddelde lengte van 60 cm voor mannetjes en tot 95 cm voor vrouwtjes, is deze bodembewoner een indrukwekkende verschijning. De rug is bezaaid met doornige stekels en heeft een camouflagepatroon van vlekken op een lichtgrijze tot donkerbruine basis. In de bek bevinden zich 36 tot 44 rijen tanden die continu worden vervangen. Hiermee kraken ze moeiteloos zeeslakken, kleine visjes en kreeftachtigen. De stekelrog is een echte ‘laatbloeier’ die pas na zeven tot twaalf jaar geslachtsrijp is. Tijdens het voortplantingsseizoen organiseren paringsbereide vrouwtjes zich vaak in groepen, terwijl anderen zich diep ingraven in het zand.

De weg naar de Oosterschelde
Hoe komen de roggen eigenlijk in de Oosterschelde terecht? De sleutel ligt bij de stormvloedkering (Neeltje Jans). Sinds de voltooiing in 1986 staan de 62 schuiven vrijwel altijd open; ze gaan gemiddeld slechts één keer per jaar dicht bij extreem hoogwater. De kraakbeenvissen hebben dus letterlijk alle ruimte om in en uit te zwemmen. Dat ze dit de laatste jaren steeds vaker doen, heeft waarschijnlijk meerdere oorzaken: de gemiddelde jaartemperatuur in de Oosterschelde is sinds begin jaren 2000 licht gestegen, maar belangrijker is waarschijnlijk dat de roggenpopulaties in de Noordzee zich herstellen na decennia van overbevissing. Daarnaast kan ook het prooiaanbod gunstig veranderd zijn. De combinatie van warmte, beschutting, rijk voedselaanbod en verminderde visserijdruk maakt het estuarium tot een ideale ‘nursery’. Uniek? Niet echt, aan de zuidkust van Engeland bevindt zich bijvoorbeeld het Thames Estuary, een vergelijkbaar opgroeigebied waar stekelroggen in grote aantallen voorkomen.

Dagelijkse ritmes: rusten en jagen
Uit de data van de WUR-zenders komt een interessant dagpatroon naar voren. Hoewel roggen echte bodembewoners zijn, vertonen ze een vorm van Diel Vertical Migration (DVM). Dit is een gedragspatroon waarbij de dieren dagelijks tussen verschillende dieptes bewegen.
- Overdag (rustfase): De roggen trekken zich terug naar de diepere geulen. Hier is het water koeler en vooral stabieler. Door op diepte te rusten, besparen ze energie en vermijden ze de snelle temperatuurschommelingen die eigen zijn aan ondiepere platen.
- ’s Nachts (Voedselverzameling): Tijdens de schemering en nacht trekken ze naar de ondiepe zandplaten om te foerageren. Hier vinden ze hun prooien. De watertemperatuur schommelt ook minder na zonsondergang.
Dit verklaart waarschijnlijk waarom duikers roggen vaker spotten tijdens vroege avondduiken of bij schemering; de dieren zijn dan simpelweg actiever in de ondiepere zones.
Komen en gaan volgens de seizoenen
De aanwezigheid van roggen in de Oosterschelde is sterk seizoensgebonden, al verschilt het patroon tussen volwassen dieren en juvenielen. Volwassen roggen trekken in de lente (maart-mei) de Oosterschelde binnen, aangetrokken door de stijgende temperaturen en een toename aan voedsel. De ondiepe zandplaten zijn dan de perfecte plek om eikapsels af te zetten, of in het geval van de pijlstaartrog, levende jongen te baren. Het paaiseizoen loopt door tot in september, waarbij vrouwtjes in deze periode tientallen eikapsels afzetten. Gedurende de zomer en de vroege herfst zijn adulte roggen wel aanwezig, maar niet altijd even goed zichtbaar: ze liggen vaak ingegraven in het zand of rusten in diepere geulen. De Oosterschelde fungeert in deze periode als een veilige kraamkamer waar de jonge roggen snel kunnen opgroeien. Juveniele roggen blijven vaak jaarrond in de beschutte, ondiepe zones van het estuarium, wat verklaart waarom ze ook buiten het paaiseizoen worden waargenomen. Wanneer in de late herfst en winter de watertemperatuur daalt, en de energiebehoefte van de dieren verandert, trekken de volwassen dieren zich terug naar dieper water in de Noordzee.
Voor deze migratie maken de roggen gebruik van de natuurlijke dieptewateruitgangen van het estuarium. Via de geulen onder de stormvloedkering zwemmen ze naar de diepere en stabielere wateren buiten de kust. Deze trekroute voert hen enerzijds naar de uitgestrekte foerageergebieden in de Voordelta en anderzijds naar diepere geulen in de Noordzee, zoals het Hinder Deep. Deze patronen komen exact overeen met de recente data van WUR en ILVO, evenals met gegevens uit internationale onderzoeksprojecten. Op deze dieptes, doorgaans dieper dan 20 meter, vinden de volwassen roggen de nodige rust en een rijk voedselaanbod aan zandspiering, jonge garnalen en jonge platvissen om de wintermaanden door te komen.

Levenscyclus van de rog, een langzaam proces
De voortplanting en groei van roggen verlopen traag, wat deze dieren kwetsbaar maakt. Een stekelrog bereikt een volwassen stadium pas na acht tot twaalf jaar, terwijl de pijlstaartrog daar gemiddeld zeven tot tien jaar over doet. Tijdens de paring, die doorgaans in dieper water plaatsvindt, maken de mannetjes gebruik van hun ‘claspers’ voor een interne bevruchting. Soms zijn bijtwonden aan de vinranden van de vrouwtjes nog een duidelijk teken van een recente ontmoeting. Beide soorten hebben een lage reproductieve capaciteit: ze brengen jaarlijks slechts een beperkt aantal nakomelingen voort. Deze roggen kennen geen broedzorg nadat de eieren zijn afgezet en de jongen zijn geworpen.
Er bestaat een fundamenteel biologisch verschil in de manier waarop deze soorten ter wereld komen. De stekelrog is ovipaar (eierleggend); het vrouwtje legt eikapsels in zanderige gebieden waarbij het kapsel zich in het substraat verankert dmv hoorns (kleine weerhaakjes of hechtmechanismen). Ze legt om de paar dagen enkele eikapsels gedurende een langere periode in de lente en de zomer. Ze worden dan ook wel de ‘legkippen’ van de Noordzee genoemd. De pijlstaartrog, daarentegen, is levendbarend en werpt jaarlijks twee tot tien volledig ontwikkelde jongen.
Deze kraakbeenvissen kunnen uiteindelijk een leeftijd bereiken van twintig tot zelfs dertig jaar. Omdat ze pas laat geslachtsrijp worden, herstellen populaties zich moeizaam van overbevissing of habitatverlies. Om leeftijd en groei nauwkeurig in kaart te brengen, maken wetenschappers gebruik van mineralisatielijnen in de kraakbeenweefsels (vergelijkbaar met groeiringen bij een boom). Daarnaast levert ‘hervangst’ bij het onderzoek van de WUR cruciale data op. Bij roggen, die in het verleden reeds een zender omkregen en die vandaag opnieuw gevangen worden, kan men de exacte groei over een specifieke periode vaststellen. Zo krijgen we een steeds beter beeld van de overlevingskansen van deze bijzondere bodembewoners.

Genetische verbondenheid
Naast migratie en groei, wordt ook de genetische achtergrond van de roggen onderzocht. Hiervoor wordt DNA-materiaal verzameld via een kleine ‘fin clip’: een miniscuul stukje vinweefsel dat pijnloos wordt afgenomen en snel weer aangroeit. Door duizenden genetische merkers (zogeheten SNP’s) te vergelijken, kunnen onderzoekers vaststellen hoe de verschillende populaties met elkaar verbonden zijn en of er sprake is van uitwisseling tussen gebieden.
Op grote schaal blijkt de stekelrog in Europa uit vijf hoofdculturen te bestaan, waaronder de populatie rond Ierland, de Golf van Biskaje en de Middellandse Zee. De roggen in de Oosterschelde behoren tot de ‘Greater North Sea’-groep. Binnen deze cluster, die de hele Noordzee tot aan de Britse en Duitse kust beslaat, is nauwelijks genetische structuur te vinden. Dit betekent dat de dieren uit de Oosterschelde, de Voordelta en de zuidelijke Noordzee volledig met elkaar in verbinding staan en aan uitwisseling doen. Er is sprake van een hoge genetische connectiviteit en een constante ‘gene flow’.
De roggen die wij in Zeeland zien, vormen dus geen geïsoleerde groep die risico loopt op inteelt, maar maken deel uit van één grote, goed gemengde Noordzee-populatie. De Oosterschelde is voor hen simpelweg een tijdelijke, maar cruciale stopplaats binnen een veel groter leefgebied.
Zeemeerminnentasjes op het strand

Wie na een duik of tijdens een stormachtige dag over het Zeeuwse strand wandelt, vindt vaak ‘zeemeerminnentasjes’. Dit zijn waarschijnlijk de lege eikapsels van de stekelrog. Tussen februari en september legt een vrouwtje één voor één tot wel zeventig van deze leerachtige huisjes. De hoorns op de hoeken zijn essentieel voor de verankering én voor het transport van zuurstof naar het embryo. Na vier tot zes maanden komt de jonge rog uit het ei, waarna bacteriën gassen produceren die het kapsel als een ballonnetje laten drijven tot het aanspoelt. Omdat ze op het strand vaak uitgedroogd en zwart zijn, kun je ze het beste thuis in een bakje water laten opweken. Pas dan krijgt het kapsel haar oorspronkelijke vorm terug en kun je zien of het inderdaad een stekelrog was, of misschien de sterk gelijkende blonde rog. Hoewel die laatste de Oosterschelde zelden binnenzwemt, komen de eikapsels in de open Noordzee veelvuldig voor en spoelen ze door de sterke gelijkenis vaak zij aan zij met die van de stekelrog aan.
Waarnemingen melden
Jouw waarnemingen zijn cruciaal voor het in kaart brengen van de populaties. Heb je een rog gezien, of een eikapsel gevonden? Meld je waarnemingen op Waarnemingen.nl (of .be) of geef je vondst door via Telmee.nl van Stichting ANEMOON. Stichting ANEMOON verzamelt gegevens via het EGGS-project om broedgebieden en trends door klimaatverandering te monitoren. Vind je bovendien een aangespoelde zender? Neem dan contact op via de gegevens op het label.
Met dank aan Eleanor Greenway en Jan Jaap Poos (WUR) voor hun bijdragen aan het “Migration of sharks and rays from the North Sea” project, en aan de NELOS-duikers voor hun waarnemingen! Dit artikel verscheen in eerder in Hippocampus 2026-3