Begin juli is prof. dr. Robert Weenink benoemd tot bijzonder hoogleraar Anesthesiologie, in het bijzonder hyperbare en duikgeneeskunde, aan de Faculteit der Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam. Deze leerstoel werd in 2014 ingesteld door de Koninklijke Marine en Weenink neemt deze nu over van prof. dr. Rob van Hulst. Hij doet hier, met zijn team, onderzoek naar duikersziekten en het toepassen van hyperbare zuurstof bij diverse categorieën patiënten. Voor duikers en klinische patiënten, voor militairen en burgers.
Als duiker is vrijwel iedereen – vanuit theorie óf praktijk – bekend met de hyperbare kamer in het Amsterdam UMC – ook wel bekend als de Boerema kamer. We komen er als duiker liever niet, maar zijn er blij mee als we een behandeling nodig hebben voor bijvoorbeeld decompressieziekte na duikongevallen, waarbij deze wordt ingezet. Minder bekend is wellicht dat deze kamer ook voor veel andere behandelingen wordt ingezet, die aan de kant geschoven worden als een acute behandeling van een duiker nodig is. En dat deze kamer ook een heel belangrijke functie heeft in het onderzoek aan de Faculteit der Geneeskunde, waaraan een leerstoel verbonden is voor hyperbare en duikgeneeskunde. Deze onderzoeken leveren een belangrijke bijdrage aan kennis, ontwikkeling en inzet van de juiste behandeling voor militaire en civiele duikers én al die vele andere mensen die klinische behandelingen krijgen in de hyperbare kamer.
De ‘Boerema kamer’
De Boeremakamer in het AMC (de hyperbare drukkamer) is in 1956 bedacht door chirurg Boerema, die de tank ontwierp voor openhartoperaties onder hoge zuurstofdruk (3 bar). De tank weegt 30.000 kilo en is op de huidige locatie in het Amsterdam UMC eerst geplaatst, waarna de muren eromheen zijn gebouwd.
‘Onderzoek in dit veld is een on-going process’, zegt Van Hulst. Hij houdt zich als pionier al een paar decennia bezig met de duikgeneeskunde. Weenink noemt hem zelfs ‘het orakel uit Schagen’ (woonplaats van Van Hulst – red.). In zijn tijd bij Defensie was Van Hulst jarenlang het hoofd van het Duikmedisch Centrum van de Marine en introduceerde hij bijvoorbeeld de Canadese marine duiktabellen die nog altijd gebruikt worden, ook bij de NOB. Als onderzoeker richtte hij zich ook al in die tijd op hyperbare zuurstoftherapie, in wat nu het Amsterdam UMC (locatie AMC) is. Zijn promotieonderzoek in 2003 is opgevolgd door een aantal andere promovendi, onder andere door zijn opvolger Robert Weenink, maar ook door Feiko de Jong (Onderwatersport 2024 – nummer 6). De leerstoel die Weenink dus nu overneemt, richt zich op toepassing van behandeling met hyperbare zuurstof. Voor duikers gaat dat om gasembolieën en decompressieziekte, maar het onderzoek betreft ook andere toepassingen van hyperbare zuurstof, zoals bij acute doofheid door lawaai en bij ernstig verwonde ledematen.

Hoogte en diepte
Weenink kwam bij Defensie via de opleiding tot Algemeen Militair Arts. ‘Tenminste, dat was het idee. Ik was nog maar net aan die opleiding begonnen toen ik de vacature zag voor een promotieplek in deze onderzoeksgroep, waarbij ik kon gaan werken met luchtembolieën. Daar lag mijn interesse. Dus deed ik onderzoek in Amsterdam en was ik tegelijkertijd klinisch verbonden aan de Marinebasis in Den Helder, waar ik onder andere search & rescue vluchten deed met de helikopter en werd opgeleid tot vliegerarts bij de US Navy.’
In 2015 ging hij uit militaire dienst en begon hij aan de vijfjarige opleiding tot anesthesioloog. In 2020 werd hij weer beroepsmilitair en anesthesioloog bij Defensie, waarbij hij geplaatst werd in het Amsterdam UMC (locatie AMC), een relatieziekenhuis van Defensie. ‘In het Amsterdam UMC is alles beschikbaar om onderzoek te doen: proefdierlaboratoria, de grote hyperbare kamer, maar ook een voor kleine proefdieren, en uiteraard een hele onderzoeksinfrastructuur zoals je in een academisch ziekenhuis mag verwachten. In het verleden deden we onderzoek op varkens, omdat de vertaalslag van varkens naar mensen echt heel klein is, maar dat is niet meer mogelijk sinds het grote proefdierenlab is gesloten. We gebruiken nu ratten, die sprong naar mensen is ook niet groot, de eindpunten in klinisch onderzoek zijn vergelijkbaar.’
Leuk en interessant natuurlijk al dat onderzoek naar luchtembolieën, promovendi over de hele wereld die zich hierin verdiepen en zo’n leerstoel. Maar de relevantie voor de patiënt, duiker of niet, is groter dan op het eerste gezicht lijkt. ‘De relevantie zit in het onderzoek dat we doen bij en voor de militaire en civiele duiker, maar ook in de wisselwerking met en de awareness die ontstaat bij andere specialisten’, zegt Weenink. ‘Er zijn veel meer mensen met een luchtembolie dan we misschien denken en daar maken we in onderzoek dankbaar gebruik van. Die ene duiker gaat de data niet geven, maar er zijn andere patiënten die we hier kunnen behandelen die ook een luchtembolie hebben. Wat daarnaast nog speciaal is aan onze hyperbare kamer is dat dit de enige kamer in Nederland is waar we beademde patiënten in kunnen behandelen, en dat we 24/7 paraat staan met een duikgetrainde medisch specialist.’

Hyperbare zuurstof helpt
Het onderzoek dat gedaan wordt naar luchtembolieën vanuit deze leerstoel is niet alleen belangrijk voor de militaire duiker. ‘Civiel en militair zijn voor ons geen twee gescheiden werelden’, zeggen Van Hulst en Weenink. ‘De kern van het onderzoek richt zich op de operationele militaire duiker die met hyperbare zuurstof wordt behandeld, maar dat waaiert uit. Naar de niet-militaire duiker en naar militairen en burgers die niet duiken: we kunnen namelijk ook onze expertise toepassen op knaltrauma, sudden deafness en veel meer andere specialistische behandelingen. Andersom geldt dat we ook van civiel naar militair veel kennis overbrengen. Als we meer weten over het toepassen van hyperbare zuurstof bij letsel en fracturen en zo ernstig gewonde militairen in conflictgebieden eerder kunnen helpen, kunnen we meer ledematen redden en meer kwaliteit van leven bieden. En in vredestijd, waar we nog steeds in zitten, is het aantal gewonde militairen gelukkig te laag om onderzoek op te doen. Verkeersslachtoffers en andere gewonden zijn er meer.’
Waar Rob van Hulst de eerste grote stappen zette op het gebied van onderzoek naar gasembolieën, gaat Robert verder en breidt hij het onderzoek uit in zijn tijd op de leerstoel. ‘Ik kijk ernaar uit om samen met alle collega’s – klinisch en wetenschappelijk, nationaal en internationaal – te blijven werken aan betere zorg voor duikers en patiënten die met hyperbare zuurstof worden behandeld.’ Als hij over een paar decennia terugkijkt op zijn werk hoopt hij dat we beter zijn in het behandelen van luchtembolieën, dat we beter weten wat de tijd tussen duik(incident) en hyperbare kamer doet met de duiker en de aandoening en dat de militaire duiker ook beter geholpen kan worden. ‘Uiteindelijk is de militair steeds vaker en steeds verder van huis op schepen die steeds verder varen en dat geeft uitdagingen om hyperbare zuurstof zinvol in te zetten.’
Van Hulst gaat ook zeker niet stilzitten en blijft zijn expertise inzetten voor de duiker. De komende maanden is hij op Aruba. Daar zal hij een nieuwe twaalfpersoons hyperbare kamer opzetten, mensen trainen, protocollen schrijven, keuren en zorgen voor de juiste financiering en vergoedingen bij duikongevallen, via bijvoorbeeld de DAN.

De onderzoeken van prof. dr. Robert Weenink

De duikmedische onderzoeken van prof. dr. Robert Weenink richten zich met name op de fysiologische gevaren bij duiken, de impact van waterdruk op het lichaam en de behandeling van specifieke duikcomplicaties. Zijn achtergrond als marine-arts combineert hij in deze onderzoeken direct met de klinische praktijk in het Amsterdam UMC. Het belangrijkste deel van zijn duikmedische onderzoek is Cerebrale Arteriële Gasembolieën (CAGE), een zeldzame maar gevaarlijke duikcomplicatie. Als een duiker te snel opstijgt en zijn adem inhoudt, ontstaat er longoverdrukletsel. Luchtbellen dringen hierbij de bloedbaan binnen en komen in de hersenen, waar ze bloedvaten blokkeren. Het onderzoek van Weenink richt zich op hoe deze gasbellen schade aanrichten in het hersenweefsel en hoe duikerartsen en andere dokters dit direct na het ongeval beter kunnen diagnosticeren en behandelen.
Naast CAGE doet Weenink ook onderzoek naar decompressieziekte en de rol van hyperbare zuurstof voor niet-duik gerelateerde aandoeningen, zoals acute doofheid door lawaai en ernstig gewonde ledematen. Weenink is kapitein ter zee bij de Koninklijke Marine en werkt als anesthesioloog op de operatiekamers van het Amsterdam UMC en bij het Mobiel Medisch Team (de traumahelikopter).
De onderzoeken van prof. dr. Rob van Hulst

Rob van Hulst deed onderzoek naar diagnostiek en behandeling van gasembolieën en de toxische effecten van hoge zuurstofdruk op de longen. De onderzoeksresultaten zijn relevant voor zowel klinische patiënten als professionele duikers bij defensie. Er is een grote diversiteit aan patiënten die met hyperbare zuurstof wordt behandeld, zoals bij stoornissen van de wondgenezing bij suikerziekte, koolmonoxidevergiftigingen, botontsteking en late radiatieschade. Van Hulst richtte zich vanuit de afdeling hyperbare geneeskunde met name op de behandeling van late radiatieschade.
Van Hulst was tot zijn pensioen als arts-onderzoeker verbonden aan de afdeling hyperbare geneeskunde en experimentele anesthesiologie van het AMC. Eerder was hij kapitein ter zee en hoofd van het Medisch Expertise Centrum / Duikmedisch Centrum van de Koninklijke Marine. Daarnaast bekleedt hij nog altijd diverse adviesfuncties, waaronder bij de medische commissie van de NOB, het Nederlands Forensisch Instituut en bij diverse internationale medische offshore commissies.